'Hulpverlener is niet kwade geest'

DEN HAAG, 22 APRIL. Het debat over rituele kindermishandeling barstte vorig jaar juni in Nederland los toen het televisieprogramma Nova in een aantal uitzendingen uitgebreid inging op het fenomeen satanisch kindermisbruik. De Inspectie voor de Jeugdhulpverlening werd vorig jaar steeds vaker geconfronteerd met meldingen over rituele mishandeling van kinderen. Het zou gaan om slachtoffers die seksueel, lichamelijk en geestelijk zijn mishandeld.

Ook psychologe S. Boon, gepromoveerd op de 'meervoudige persoonlijkheidsstoornis', zei toen dat een landelijk onderzoek had aangetoond dat ongeveer dertig patiënten met deze stoornis aan hun therapeut hadden verteld over hun ervaring 'ritueel mishandeld' te zijn. De patiënten spreken van rituele bijeenkomsten op afgelegen plaatsen als bossen, strand en fabrieksterreinen. Sommige hulpverleners concluderen dat er sekten bestaan die ritueel mishandelen, gezien de steeds terugkerende op elkaar gelijkende verklaringen, verkleedpartijen en kruisen die een rol spelen. Over de omvang van de 'satanscult' is niets bekend. Boon wilde nog geen commentaar geven op het zojuist verschenen rapport van de commissie Hulsenbek.

“Als er werkelijk satanische sektes zouden bestaan die kinderen ritueel misbruiken dan zou daar meer over bekend moeten zijn dan alleen de verklaringen van slachtoffers”, zegt J. Frenken, psycholoog-seksuoloog aan het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek (NISSO). “Er zijn nog nooit bekentenissen geweest en nog nooit heeft iemand 'gelekt' uit zo'n groep. Dat is bijna ongelooflijk. Een hulpverlener dient een cliënt natuurlijk serieus te nemen in de presentatie van zijn of haar verhaal maar hoeft niet per definitie alles te geloven van een kind of volwassene te berde brengt.”

In het nieuwe nummer van Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, dat 1 mei verschijnt, doet Frenken verslag van een symposium tijdens de Annual Meeting van de International Academy of Sex Research in juni vorig jaar. Hoeveel evidentie is er voor het op enige schaal vóórkomen van satanisch ritueel seksueel misbruik van kinderen in groepsverband? Dat was de vraag die aan de orde werd gesteld op het symposium. Eén van de deskundigen op het gebied, professor Richard Ofshe van de Universiteit van Californië, woonde door middel van videopresentaties workshops bij van therapeuten die onder andere met hypnose en geleide fantasie werken om de vermeende slachtoffers te behandelen. “Wat begint als een gissing wat voor soort voormalig misbruik het geweest kan zijn (...), groeit uit tot gissingen over één en later meerdere daders. (...) het proces kan culmineren in uitgebreide fantasieën over misbruik door ouders, buren, onderwijzers, andere volwassenen tot en met moord op baby's en kannibalisme in een satanisch circuit.”

Frenken: “In de Verenigde Staten is het onderwerp ritueel seksueel misbruik door satanische sekten buitengewoon controversieel. Het heeft een heilloze polarisatie tussen gelovers en sceptici teweeg gebracht. Op het symposium waren de meeste onderzoekers van mening dat er geen sprake is van op enigerlei schaal voorkomen van dit soort misbruik, terwijl een enkeling nog een slag om de arm hield. Ik hoop dat dat in Nederland niet gebeurt”, aldus Frenken.

De Epe-zaak lijkt een voorbeeld van het probleem dat er geen bewijs is van ritueel misbruik door satanische sektes inclusief de babymoorden. De advocate van Jolanda, mevrouw mr M. Oosterhuis-Smits, houdt er nog steeds sterk rekening mee dat in het geval van Jolanda wel degelijk van “ritueel misbruik” gesproken kan worden. “Wat mij opvalt in de discussie, en wat in de media ook uit het rapport geciteerd werd, is dat er gesteld wordt dat slachtoffers pas vertellen over ritueel misbruik nadat zij contact hebben gehad met een hulpverlener. Dat is in het geval van Jolande dus niet het geval want zij had geen hulpverlener.” Hiermee geeft de advocate aan dat er niet met een schuldig vingertje naar de hulpverleners gewezen mag worden, omdat er ook verklaringen over rituele misbruiksessies bestaan waar geen hulpverlener of maatschappelijk werker aan te pas is gekomen.