'Hirsch Ballin wel verantwoordelijk voor optreden OM'

DEN HAAG, 22 APRIL. Minister Hirsch Ballin (justitie) heeft zich tijdens het debat over de IRT-affaire “uit politiek lijfsbehoud” onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid voor het optreden van het openbaar ministerie.

Dat schrijft de Groningse hoogleraar staatsrecht prof.mr. D.J. Elzinga in het Nederlands Juristenblad van deze week.

Volgens Elzinga heeft zowel de minister als het Amsterdamse openbaar ministerie de eigen opvattingen tijdelijk verruild voor die van de ander om hun verantwoordelijkheid in de zaak te kunnen ontlopen. Hirsch Ballin heeft altijd beklemtoond dat de minister van justitie voluit ministeriële verantwoordelijkheid draagt voor het openbaar ministerie. De top van het OM probeert op zijn beurt juist de eigen zelfstandigheid te vergroten, aldus Elzinga.

In de IRT-affaire waren de rollen plotseling omgedraaid, schrijft hij. De Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck en hoofdofficier van justitie Vrakking kregen van Hirsch Ballin de volle laag. De minister zei zei tijdens het Kamerdebat dat de zaak “niet zonder gevolgen” kan blijven voor de twee OM-functionarissen. Hij zei dat het openbaar ministerie “geen buitendienst” is van zijn departement en kon daardoor de schuld op hen afschuiven, aldus Elzinga. Daarmee heeft het openbaar ministerie kunnen zien hoe de wens om vooral eigen baas te zijn “zeer negatief” kan terugslaan op het OM zelf.

De zaak rond de opheffing van het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht heeft aangetoond dat er “na 25 jaar strijd” over de reikwijdte van bevoegdheden en verantwoordelijkheden nu duidelijkheid wordt geschapen over de verhouding tussen de minister en het openbaar ministerie, aldus Elzinga in zijn artikel. Hij is voorstander van een volle ministeriële verantwoordelijkheid. Dat houdt in dat de minister door het parlement ter verantwoording kan worden geroepen voor de gedragingen van zijn ambtenaren. Alleen dan kan de volksvertegenwoordiging controle uitoefenen op bijvoorbeeld de methoden die het OM gebruikt bij de opsporing van strafbare feiten.

Elzinga acht het echter niet wenselijk dat de minister van justitie daarmee ook alle bevoegdheden krijgt om het doen en laten van het openbaar ministerie te bepalen. Dat is volgens hem de denkfout die in de discussie over het vraagstuk wordt gemaakt. “De mate van ministeriële verantwoordelijkheid valt beslist niet samen met de mate van ministeriële bemoeienis.” De minister moet zich volgens Elzinga “terughoudend” opstellen in zijn bemoeienis met het OM, dat formeel onderdeel uitmaakt van de rechterlijke macht. Hij vindt dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het optreden van het OM de helderheid schept die nodig is om tot “een evenwichtige relatie” tussen minister en OM te komen.