HET IS DRAGELIJK

Op CNN was een alarmerend bericht. De Poolse affichekunst, de laatste tak van oorspronkelijk en onnavolgbaar expressionisme en surrealisme, met iedere week nieuwe bewijzen op de muren van Warschau, zou in verval zijn. De oorzaak daarvan, verrassend, was de invoering van de vrije-markteconomie. Je zou denken dat verscherpte concurrentie tot verscherpt vernuft in de reclame leidt, maar in plaats daarvan kwamen er grote kleurenfoto's van steeds sappiger hamburgers en steeds sexier jeans, en de creativiteit van de affichekunstenaar leidt de aandacht van de klant alleen maar af. Die wil niets creatiefs; hij wil meer hamburgersap en seks. Dat was de verklaring van de kunstcriticus op CNN.

Als het waar is, heeft de Poolse affichekunst haar bloeitijd beleefd onder het communisme, net als de Tsjechische boekwinkels en schouwburgen die het evenmin goed gaat. Het zou geen wonder zijn. Kunst is - dat heb ik op school geleerd - het maken van mooie dingen, maar het kan ook verzet, persoonlijke propaganda tegen een ondragelijke toestand zijn, die dan daardoor een minimum aan dragelijkheid krijgt, en niet alleen voor de kunstenaar. De meeste beeldende kunst die tot dit genre hoort, is daarom expliciet, ook als de censuur de kunstenaar tot een dubbele bodem, een metafoor heeft genoodzaakt.

Het verval van de Weimar Republiek is door Georg Grosz grafisch begeleid. John Heartfield heeft hetzelfde gedaan bij de opmars van Hitler. Ik noem maar een paar voorbeelden. Toen we in het Westen geloofden dat we op de drempel van het einde der tijden leefden, dat ieder ogenblik de planeet in radio-actief stof kon worden veranderd, zijn er reeksen kunstenaars geweest die de mooiste affiches hebben gemaakt om ons tegen dat vooruitzicht te waarschuwen. Vietnam heeft misschien wel honderden kunstenaars gemobiliseerd en geïnspireerd.

Wat ze toen hebben gemaakt beschouwen we nu als kunst; het wordt in boeken op kunstdrukpapier verzameld en om andere redenen bewonderd. Toen was het een pamflettisme in beelden. Ik onderscheid het van de politieke tekening die meer is gericht op de situatie van de dag - een commentaar in lijnen - en van de anti-oorlogskunst die universeel is geworden: Goya's Rampen van de oorlog, de reeks grafiek Der Krieg van Otto Dix, en Picasso's Guernica. De klassieken zijn talrijk. Mij gaat het om de soort die meer is dan een commentaar van de dag: een pamflet in beeld dat bij zijn ontstaan een politieke functie heeft en daarna kunst blijkt te zijn.

Ik vraag me af hoe het komt dat de kunstenaars-pamflettisten blijkbaar nauwelijks worden geraakt door de Europese ramp in Joegoslavië. Natuurlijk: er zijn tentoonstellingen geweest, we hebben kindertekeningen gezien, uit het oorlogsgebied zelf zijn tekeningen en schilderijen van plaatselijke kunstenaars gekomen die geen misverstanden overlaten - als die er na twee jaar televisiejournaal nog mochten zijn. Maar er is in de rest van Europa geen stroom ontstaan, er is geen gedrevenheid die zich uitdrukt in een beeldend pamflettisme zoals de Poolse affichemakers dat in de tijd van Solidariteit en hun verzet tegen de gecollectiviseerde kunst hebben laten zien; of de Tsjechoslowaakse schrijvers in Charta 77.

Op den duur blijkt altijd dat de kunstenaars, of ze willen of niet, terzijde van hun bedoelingen ook de toestand van de maatschappij hebben weerspiegeld. Als later wordt vastgesteld dat in de kunst van vandaag geen duidelijke, diepe en duurzame sporen zijn achtergebleven van een op de televisie dagelijks vertoonde massamoord (in een buurt die tot het gebied van onze kunst en literatuur hoort) dan is de conclusie dat die misdaad de kunst au fond niets heeft kunnen schelen. In dat geval is de kunst de weerspiegeling van de politiek die met gepast vertoon van mededogen en humaniteit zich op haar eigen manier aan het strijdtoneel weet te onttrekken. Niet bewust, maar 'krachtens de tijdgeest' (om het maar eens beleefd en verontschuldigend uit te drukken) zijn dan kunst en politiek in collaboratie verenigd.

Pamflettisme in de kunst is een poging om te ontsnappen aan een ondragelijke toestand. De lezer kan het opvatten als een bewijs uit het ongerijmde, maar als er geen pamflettisme is, wordt de toestand dragelijk bevonden. Tot die slotsom leidt trouwens de praktijk van iedere dag.

    • H.J.A. Hofland