Heb je ketenen lief; Duong Thu Huong over drie vrouwenlevens in Vietnam

Duong Thu Huong: Blind paradijs. Vert. (uit het Frans) Han Meijer. Uitg. Nijgh & van Ditmar, 248 blz. Prijs ƒ 36,90.

De Vietnamese schrijfster Duong Thu Huong (1947) maakte de collectivisatie van de landbouw in haar land mee als meisje van acht. De landhervorming ging, zoals eerder in de Sovjet-Unie en China, gepaard met ontelbare verliezen van mensenlevens en grote hongersnood. Het zou een van de inspiratiebronnen worden voor haar roman Blind paradijs, die nu in Nederlandse vertaling is verschenen. De hoofdpersoon van deze roman heeft de verschrikkingen niet aan den lijve meegemaakt, maar is er evenzeer door getekend als de generatie vóór haar. De jonge Hàng is gastarbeidster in een troosteloze Russische provinciestad; het verhaal begint wanneer ze de trein neemt naar Moskou om haar zieke oom Chinh op te zoeken. Tijdens de lange reis trekt haar leven aan haar geestesoog voorbij.

Chinh was in de jaren vijftig hoofd van de sectie Landhervorming en daarmee de belichaming van de willekeur en wreedheid die het platteland van Noord-Vietnam in naam van het socialisme teisterden. Nog voor Hàng verwekt was, moest haar vader Tôn als lid van de 'uitbuitersklasse' vluchten uit het dorp waar hij met haar moeder Quê samenleefde. Zijn moeder en zuster werden, met vele anderen die tot grondbezitters waren bestempeld, in het openbaar getuchtigd.

Maar wat waren zij nu helemaal voor grondbezitters: een paar geërfde rijstveldjes, waaraan ze verknocht waren en die ze zelf bebouwden, met af en toe wat hulp van dagloners. Dergelijke families, van oudsher de pijlers van de dorpsgemeenschap, waren van de ene dag op de andere vijanden van het volk.

De sectie Landhervorming ging en de sectie voor de Rectificatie van Fouten kwam. Quê werd mikpunt van de wraakzucht van de dorpelingen en ook zij was gedwongen te vertrekken. Tien jaar later spoorde Tôn, in ballingschap hertrouwd, zijn vroegere geliefde op in de sloppenwijken van Hanoi; uit deze kortstondige ontmoeting kwam Hàng voort. Na haar geboorte pleegde Tôn zelfmoord, uit schuldgevoel tegenover zijn wettige vrouw. De schrijfster noemt geen jaartallen; het moet omstreeks 1965 geweest zijn.

Wilde zwanen

Dit is de voorgeschiedenis, die haar tragisch stempel drukt op het lot van de drie vrouwen die met Tôn respectievelijk hun broer, man en vader verloren. Een vergelijking van Blind paradijs met Wilde zwanen van de Chinese Jung Chang ligt voor de hand. De schrijfsters zijn van dezelfde generatie. Duong voltooide haar boek in 1988, het jaar waarin Jung Chang aan het hare begon. Beide romans zijn gericht tegen onderdrukking en uitbuiting; beide zijn overweldigend. Toch zijn ze totaal verschillend van elkaar. Niet alleen is Blind paradijs minder panoramisch, kleinschaliger, intiemer, ook de schrijftrant is anders. Duong legt minder uit dan Jung Chang; ze analyseert niet, maar suggereert. De landhervorming en aansluitende rectificatiecampagne zijn de enige historische feiten die met name genoemd worden; samen nemen ze nauwelijks twintig bladzijden in beslag. Verder ontbreekt praktisch elke directe verwijzing naar maatschappelijke en politieke gebeurtenissen. De Amerikaans-Vietnamese oorlog blijft ongenoemd.

Wel komen Hàng en haar moeder tijdens een tocht naar familie in het dorp langs een begraafplaats waar 'Het Dankbare Vaderland' boven de toegangspoort staat. De armoede in de stad, grotendeels het gevolg van de oorlogsinspanningen, lezen we af aan het moeizame gesloof van Hàngs moeder en haar buurvrouwen. De pogingen om Vietnam om te vormen tot een socialistische staat blijken bijvoorbeeld tijdens de bezoeken van Quê en Hang aan Chinh, die met zijn gezin in de verstikkende eenvormigheid en doodsheid van een woonkazerne voor Partijkaderleden woont.

Wat Vietnam doormaakte, wordt vooral weerspiegeld in de drie vrouwenlevens. Tegenover Hàngs moeder Quê, murw geslagen door het leven en gedoemd tot voortdurende zelfvernedering in de grote stad, staat de pezige en trotse tante Tâm, een prachtig portret van een grote indringendheid. Haar moeder, haar broer en haar jeugd heeft ze verloren, maar ze richt zich op. Na de rectificatiecampagne weet ze door onvermoeibare arbeid en ijzeren wilskracht het oude familiebezit op het platteland te herstellen en uit te breiden. Ongehoorde rijkdom is haar wraak voor wat haar familie is aangedaan.

Mooi beschreven is ook de ontwikkeling van Hàng tot volwassenheid en haar veranderende relatie met haar moeder. Al vroeg is Hàng de sterkste van de twee. Met afschuw ziet ze hoe haar moeder in het stof kruipt om de gunst te winnen van haar broer, van hem die haar leven verwoestte: 'Waarom zou iemand zijn ketenen liefhebben?' Naarmate zijzelf ouder wordt en de kloof tussen haar en haar moeder groter, groeit echter ook haar begrip: 'Zelfrespect is op deze aarde niet weggelegd voor wie moet leven in armoede en gebrek.'

Gekwaak van padden

Maar wat het allermooiste is, en Blind paradijs voor mij tot een echt meesterwerk maakt, is de beschrijving van het Vietnamese platteland. Zelden ging een zo grote rijkdom aan details zo harmonisch samen met eenvoud en lichtvoetigheid. Met zijn oeroude tradities en rituelen, waaronder de voorouderverering een belangrijke plaats inneemt, wordt het platteland aanvankelijk beschreven als een diep, ondoorgrondelijk water, dat door maatschappelijke roeringen niet in zijn wezen kan worden aangetast. 'Stormen konden het wateroppervlak alleen tijdelijk verstoren, wat modder en kroos opwoelen. Dan keerde alles terug tot de rust van het eeuwenoude moerasland, met het gekwaak van padden in de avondschemer, het obsederende nachtelijke gezang van insekten, de voetstappen van buffels en mensen bij zonsopgang in de rijstvelden.' Het is een mysterieuze wereld, een wereld vol kleuren, geuren en geluiden, waartegen de zielloosheid van het geïmporteerde communisme grauw afsteekt.

Gaandeweg krijgt het beeld van de vijver met eendekroos, dat voor Hàng in den vreemde haar vaderland symboliseert, een sterkere en gevaarlijkere lading. Het wordt de plek 'waar jonge vrouwen als slaven knielden voor hun man. Een plek waar mannen hun vrouwen met een dorsvlegel sloegen, omdat zij ongehoorzaam waren geweest en een paar manden rijstkorrels of een paar duizend bakstenen aan behoeftige verwanten hadden geleend...' Het water is niet langer van een ondoorgrondelijke schoonheid, maar olieachtig en het boert bellen uit; eromheen niet langer uitgestrekte rijstvelden, maar armoedige krotjes, verbrokkelde tuintjes en stinkende wc's. En Hàng, die in de Sovjet-Unie verteerd wordt door heimwee, begrijpt dat ook zij in zekere zin haar ketenen liefheeft.

Duong Thu Huong lijkt hiermee te suggereren dat onvrijheid meer is dan een bijverschijnsel van het communisme, dat slavernij diepere wortels heeft. Naast zuiverheid en waardigheid heeft de geritualiseerde plattelandssamenleving in Duongs beschrijving - zij het nauw merkbaar - iets benauwends en verstikkends. Hàngs verlangen om uit te breken aan het eind van de roman is dan ook meer dan een houding van verzet tegen het communisme.

Het maakt Duongs aanklacht tegen het communistische regime niet minder vernietigend. De ondubbelzinnige houding tegenover dat regime, die ze altijd heeft uitgedragen in haar literaire werk, haar artikelen en filmscripts, is haar niet in dank afgenomen. In 1990 werd ze uit partij en schrijversbond gestoten, in 1991 zat ze zonder enig proces een half jaar vast. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Duong Thu Huong is op dit moment de populairste auteur van Vietnam.

    • Helen Saelman