Geen bewijs voor ritueel misbruik van kinderen

DEN HAAG, 22 APRIL. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat ritueel misbruik van kinderen in Nederland voorkomt. Het staat echter evenmin onomstotelijk vast dat het verschijnsel niet bestaat. Dit concludeert een werkgroep die onderzoek heeft gedaan naar ritueel misbruik.

Gisteren zei de voorzitter van de werkgroep, de Arnhemse advocaat-generaal J.A. Hulsenbek, dat nader onderzoek gewenst is omdat kinderen mogelijk wel zeer ernstig zijn mishandeld. Staatssecretaris Kosto (justitie) stelde de werkgroep in augustus vorig jaar in nadat in 1992 en 1993 elf meldingen over seksueel sadistische gebruik door groepen ouderen waren binnengekomen bij de Inspectie Jeugdhulpverlening van de departementen van WVC en justitie.

Volgens Hulsenbek is ritueel misbruik “in groepsverband uitgevoerd seksueel sadisme tegen meerdere kinderen in combinatie met extreme vormen van fysiek geweld en bedreiging, omgeven met rituelen”. De werkgroep benaderde voor het onderzoek onder meer jeugdhulpverleners en politiemensen. Het onderzoek door de werkgroep, noch onderzoek elders heeft concrete aanwijzingen opgeleverd van ritueel misbruik, aldus Hulsenbek. Op grond van de verhalen van slachtoffers aan therapeuten hadden de onderzoekers forensisch bewijs, zoals babylijkjes, moeten vinden. In ieder geval zouden er enkele (technische) sporen aan het licht moeten zijn gekomen.

Nu dat niet het geval is acht de werkgroep de kans klein dat de verhalen over ritueel misbruik “in volle omvang” op waarheid berusten. Kinderen die seksueel mishandeld zijn zouden later het “ware en waarschijnlijke verhaal” weleens door het “onwaarschijnlijke en onware” verhaal over ritueel misbruik hebben kunnen vervangen, zo schrijft Hulsenbek.

De werkgroep vindt dat in de toekomst bij vermoedens van ernstige mishandeling of misbruik van kinderen de Raad voor de Kinderbescherming of het Bureau Vertrouwensarts kindermishandeling in alle gevallen op de hoogte dient te worden gesteld. Ook moet de hulpverlening aan deze kinderen worden verbeterd. Zij hebben een langdurige behandeling nodig in gezinsvervangende situaties, aangevuld met jeugdpsychiatrische behandelingen. De bestaande behandelcentra van de jeugdhulpverlening zijn daarvoor volgens de werkgroep niet toegerust.

De nieuwe werkgroep die volgens Hulsenbek een vervolgonderzoek dient uit te voeren moet verbindingen leggen tussen de verhalen van de slachtoffers en het onderzoek door de vertrouwensartsen, politie, justitie en de Raad voor de Kinderbescherming. Bij de politie zouden de gespecialiseerde afdelingen jeugd- en zedenzaken moeten terugkeren. Vanuit verscheidene politiekorpsen is deze wens al eerder geuit. De afdelingen zijn bij de reorganisatie van de politie opgeheven. Daardoor is volgens de Hulsenbek het risico vergroot dat de politie gevallen van ernstige seksuele kindermishandeling niet adequaat aanpakt.

Het vervolgonderzoek moet zich volgens Hulsenbek richten op de vraag of vermeende slachtoffers van ritueel misbruik in hun jeugd slachtoffer zijn geweest van andere traumatische gebeurtenissen. Ook moet volgens de advocaat-generaal duidelijk worden hoe tijdens de hulpverlening het verhaal over het ritueel misbruik ontstaat.