Geef de aarde terug aan de armen; Albert Camus' aanzet tot een autobiografische roman

Albert Camus: Le premier homme. Uitg. Gallimard, 331 blz. Prijs ƒ 47,30.

De Franse schrijver en filosoof Albert Camus stierf op 4 januari 1960 bij een auto-ongeluk. In zijn tas zat het manuscript van de boek dat zijn meesterwerk had moeten worden: Le premier homme. Het boek was opgezet als een autobiografische roman maar zou ook het epos worden van Frans Algerije, dat door een wrede bevrijdingsoorlog werd verscheurd. Camus had nog maar een klein deel geschreven: 144 bladzijden manuscript in een allereerste, zeer ruwe versie. Vorige week werd het ontwerp, samen met Camus' aantekeningen voor het boek, voor het eerst gepubliceerd.

Dat dat vierendertig jaar heeft moeten duren was volgens Camus' dochter Catherine een gevolg van de 'animositeit' die jarenlang tegen haar vader bestaan zou hebben. Temidden van verkettering door rechts èn door links leek het de familie weinig raadzaam een zo onvolgroeide roman te publiceren. Nu deze ideologische ijzigheid uit de lucht is, is ook die terughoudendheid, aldus Catherine Camus, overbodig geworden.

Politiek gezien is de familie misschien wat al te beducht geweest. Aan de Algerijnse kwestie was Camus in zijn manuscript nog maar nauwelijks toegekomen. Het boek beschrijft zijn eerste veertien levensjaren in een arm gezin van Frans-Spaanse afkomst in Algerije. Zijn vader heeft hij nooit gekend; Camus was net één jaar toen hij sneuvelde aan het front van de Marne. 'Hij had Frankrijk nooit eerder gezien,' schrijft Camus in de kantlijn. 'Hij zag het en stierf.'

Het bezoek aan zijn vaders graf bracht hem op het idee van zijn roman. Vrijwel geen enkele herinnering aan hem was bewaard gebleven, of het moest de granaatscherf zijn die hem doodde en die zijn moeder in een trommeltje in het dressoir bewaarde. Vergetelheid is volgens Camus het lot van de armen, die zelfs de woorden niet hebben om de dingen een eigen naam te geven. Wat bij hen thuis simpelweg 'de vaas op de schoorsteen' werd genoemd, heette bij zijn meer bemiddelde oom 'de gevlamde Vogezen-vaas' of 'het Quimper-servies.' Met de naam komt de individualiteit en de beklijvende herinnering.

Algerije stond voor Camus gelijk aan de armoede die geen memorie heeft en die door vele Fransen met de moslim-bevolking werd gedeeld. De behoeftigheid van het gezin waarin hij opgroeide, met een zachte, passieve moeder en een daadkrachtige maar harde grootmoeder, treedt in Le premier homme dan ook sterk op de voorgrond, zij het milder en minder bitter dan in de autobiografische schetsen in zijn eerste boek, L'envers et l'endroit (1937). In een voor Camus ongewoon persoonlijke stijl beschrijft hij zijn lagere-schooltijd en vooral de zorgen van 'meester' Louis Germain, die zijn begaafdheid ontdekte en hem een beurs voor de middelbare school bezorgde. Hij gaf hem toegang tot het woord en tot de wereld.

En daarmee kon hij verhalen wat vergeten was: de geschiedenis van Frans-Algerije en van de straatarme kolonisten die zich daar kwamen vestigen. De roman gaat terug tot ver in de negentiende eeuw om de geschiedenis van zijn eigen familie en de kolonisering van het land te beschrijven. Beide zijn met elkaar verweven; Camus heeft steeds verdedigd dat de pieds noirs in Algerije dezelfde rechten hadden als de 'inlandse' bevolking, zoals hij ook de gelijkberechtiging van de laatsten bepleitte. 'Inlander' waren zij allemaal.

Dat was niet het standpunt van het Algerijnse verzet en Le premier homme had Camus' antwoord moeten zijn op de bittere strijd waarvan zijn moederland het toneel geworden was. In het manuscript getuigt alleen een korte scène rondom een bomaanslag daarvan. De aantekeningen bevatten een paar dialoogfragmenten over het terrorisme als strijdmiddel, dat Camus afwijst zonder met zijn moslimse gesprekspartner te willen breken. Ze zijn te kort om meer te kunnen zijn dan een belofte die Camus niet heeft kunnen vervullen.

Wel heeft hij het einde van zijn roman nagelaten. 'Geef de aarde terug aan de armen. Aan de immense massa ongelukkigen, grotendeels Arabieren en een paar Fransen, die hier leven of overleven uit koppigheid en taaiheid. Dan zal ik glimlachen en tevreden sterven, in de wetenschap dat de grond die ik zo heb liefgehad en degenen die ik heb vereerd eindelijk onder de zon van mijn geboorte verenigd zijn.' Ook die wens werd na Camus' dood de bodem ingeslagen.

    • Ger Groot