Er was veel leuks en aardigs

Volgende week verschijnt bij uitgeverij De Arbeiderspers 'De Horizon van Amsterdam, notities van een stadswandelaar', een bloemlezing uit de verhalen van Justus van Maurik. Prijs ƒ 19,90

Ik sta in het halfduistere portaal van de Oudekerk en begin aan de beklimming van de toren. Een tocht die ik wil maken omdat de Amsterdamse volksschrijver en sigarenfabrikant Justus van Maurik hem vorige eeuw maakte. Twee keer zelfs. Eén keer als klein jongetje en bijna een halve eeuw later als volwassen man. De toren, de sloppenwijken er omheen en de bewoners oefenden op Van Maurik een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit.

Hij werd geboren op Het Water, zoals het deftige Damrak toen werd genoemd: het was in die dagen nog een open haven. Het volk dat door de scheepvaart werd aangetrokken woonde er in de sterk vervallen, smalle steegjes rondom heen. Behalve arbeiders trok de haven ook sjacheraars, zwervers en bedelaars aan.

Van Maurik deed de ideeën voor zijn talloze verhalen op tijdens de wandelingen die hij door de wijken rondom de Oudekerkstoren maakte. Net als Simon Carmiggelt bijna honderd jaar later deed, ging hij gewoon ergens zitten en noteerde wat hij zag en hoorde. Hij nam op een stoepje plaats en luisterde naar het levensverhaal van een oude porster die haar geld verdiende met het wekken van mensen, of raakte in een volksoploopje verzeild rondom een dronken doodbidder die een overlijding kwam aankondigen. Door zijn verblijf op straat werd hij een uitstekend kenner van het Amsterdamse straatleven met zijn markante volkstypes. Tegelijk was hij een bourgeois satisfait die het zich kon veroorloven armoe als kleurrijk te zien.

Als kind zag Van Maurik vanuit zijn kamertje de Oudekerkstoren die ver boven de huizen aan de overkant van het water uit steeg. In een verhaal dat niet voor niets Mijn toren heet, vertelt hij dat zijn nachtelijke angsten werden getemperd door het vertrouwde geluid van de klokken. In het ritmisch gebeier dat elk half uur over het water naar hem toe waaide hoorde hij de geruststellende woorden: ik waak, ik waak. 'Voor mij had in die tijd de toren een ziel - ik beschouwde hem als een wezen en in mijn verbeelding zag ik hem dan groter en groter worden. Ik geloofde soms dat hij àlles zien kon wat in de stad voorviel.' Voor de jonge Justus was de torenwachter dan ook geen doodgewone sterveling met een ringetje in zijn oor en een dikke wollen muts op, maar een directe afgezant van de allerhoogste macht die met een blinkende bazuin alarm blies als hij ergens brand of ander onheil zag. Met de eerste beklimming ging een lang gekoesterde wens van de kleine Justus in vervulling. Het vooruitzicht maakte hem misselijk van spanning.

De beklimming die de kleine Justus in gezelschap van de torenwachter maakte liep via het duistere portaal en het stenen trappetje naar een houten trap met een dik stuk touw als leuning. Onderweg passeerden ze de enorme klokken die aan eikehouten balken waren opgehangen. Maar het hoogtepunt van die beklimming was uiteraard het uitzicht vanaf de hoogste torentrans. Nadat hij, na een eerste blik op de wereld beneden hem, de opkomende duizeligheid had overwonnen, wees de torenwachter hem op allerlei herkenningspunten in het landschap. “... en als je nu meer naar rechts draait, zie je de Buiksloterham en de Volewijk. In 't verschiet de torens van Buiksloot en Ransdorp. Een eindje meer links was vroeger 't Galgeveld. Daar was je niet voor je plezier uit, als je er heen moest... In de verte zie je de Oosterkerk en een heel eind daarachter ligt het Funen! 't Is te ver, je kunt alleen zo'n beetje groenigheid zien. En opzij er van, is het Pestkerkhof, daar begraven ze de lui, die wat op d'r boekje hebben gehad.” Beneden hem de stad en aan de horizon, in alle windstreken weilanden en open water. Het moet een aanblik zijn geweest die Van Maurik later koesterde, want hij was een man die sterk hechtte aan behoud van wat er was.

Ik ben benieuwd wat ik te zien krijg als de gids het kleine deurtje naar de trans open duwt. De koude wind slaat me in het gezicht, meeuwen scheren op ooghoogte voorbij. De gids, door het bureau aangeprezen als 'horizonspecialist', wijst naar het stedelijk landschap. Het Rijksmuseum valt in het niet bij de hoogbouw die op de Wibautstraat staat. Aan de horizon staat het silhouet van een dertig verdiepingen hoog kantoorgebouw, aan de kant van het Centraal Station ligt het aluminiumkleurige Ibis-hotel als een gespannen puist tegen de spoorrails.

Toen Van Maurik veertig jaar later weer de trappen van de Oudekerkstoren besteeg was hij teleurgesteld in het uitzicht dat zich vanaf vijftig meter boven de stad voor hem uitstrekte. Waar eens een weiland was stond nu het Rijksmuseum. Het vrije uitzicht over het IJ was weggenomen door de bouw van het Centraal Station, de rails waarover de stoomtreinen naar binnen liepen beschouwde hij als een knellende ijzeren band om de stad en de bovengrondse telefoonbedrading vergeleek hij met het web van een spin. Zo ver het oog reikte zag hij daken, schoorstenen en geveltoppen. Verbitterd constateerde hij dat zijn Amsterdam een wereldstad was geworden. Zijn begeleider verwoordde het zo: “Wel jammer, he? Want er was vroeger veel leuks en aardigs. Toen hadden de mensen een beetje meer tijd voor mekaar en voor d'r zelf over - toen leefden ze toch wat langzamer, als ik 't zo eris uitdrukken mag. Nu worden ze geboren en gaan werken voor d'r broodje, met kromme ruggen, zonder op te kijken, naar rechts of links. Ze zwoegen maar studdy door en... hollen naar hun graf.” Van Maurik daalde snel weer af en ging op zoek naar porsters, hannekemaaiers en doodbidders. Voordat ze voorgoed verdwenen zouden zijn.