Dewey Redman weigert om zich tot slechts één jazz-genre te beperken; Alleen avant-garde of bebop spelen is saai

De Amerikaanse saxofonist, klarinettist Dewey Redman, legendarisch om zijn grilligheid, speelt morgenavond in Amsterdam. Onder meer op een in de jazz ongebruikelijk instrument, de musette, een oosters dubbelriet.

Dewey Redman (saxofoon, musette) speelt op 23/4 in het BIMhuis in Amsterdam met Rita Marcotulli (piano), Cameron Brown (contrabas) en Leon Parker (drums).

“Ik kwam in 1967 naar New York en ik leef nog steeds!” Hij zegt het met grote nadruk en komt er later nog een paar keer op terug. Dat dat eigenlijk zijn grootste prestatie is: hij overleefde in New York, en dan niet als taxichauffeur of postbode met af en toe een lullig schnabbeltje, maar als eigenzinnig beroepsmuzikant.

Rietblazer Dewey Redman (1931, Fort Worth) begon als leraar en speelde in de weekends rhythm & blues in Texas' hoofdstad Houston. Eind jaren zestig werd hij bekend door zijn samenwerking met saxofonist Ornette Coleman. Daarna werkte hij langdurig bij pianist Keith Jarrett en met drie ex-Colemancollegae in Old and New Dreams. Met gitarist Pat Metheny speelde hij op 80/81, waarvan één stuk indertijd als herkenningstune fungeerde van Van Kooten en de Bie. Er ontstond zoveel vraag dat er zelfs een single van geperst werd.

Naar de platen op naam van Dewey Redman zelf, sinds 1966 zeker zo'n twintig, is nooit een stormachtige vraag geweest. “Het is me nooit gelukt om beroemd te worden,” geeft Redman toe, in de kleedkamer van Vredenburg, vlak na een concert met zijn eigen kwartet. “Maar ik heb wel altijd gedaan wat ik wilde,” voegt hij er onmiddellijk aan toe. Dat het één, het koppig volgen van zijn eigen weg, met het ander, het gebrek aan grote roem, te maken kan hebben, ligt voor de hand. In de aan Redman gewijde alinea's in The Penguin Guide to Jazz, de vuistdikke bijbel van cd-kopend jazzland, wordt de carrière van Redman 'grillig' genoemd, zijn stijl 'moeilijk te plaatsen', zijn oeuvre wisselend, van 'meesterwerken' tot 'volslagen rampen'.

Redman verblikt of verbloost niet bij deze omschrijvingen, wuift vriendelijk de fotograaf weg - “liever geen foto's terwijl ik rook” - en neemt alle tijd om te formuleren. “Ik speel heel graag op verschillende manieren, multidirectional. Een hele avond avant-garde spelen vind ik net zo vervelend als urenlang bebop of de godganse tijd blues. Na een mooie ballad op tenorsax pak ik graag even de musette. Dat is een oosters dubbelriet, geen jazz-instrument, dus probeer ik er ook geen jazz uit te halen. Het wisselen van genres en instrumenten - ik speel ook altsax en klarinet - heeft tot gevolg dat ik telkens anders klink. Veel mensen hebben het daar moeilijk mee, en dat begrijp ik best. Het is als iemand die op een avond afwisselend de beroepen van arts, chemicus en advocaat uitoefent. Natuurlijk kom ik zelden in alle rollen even sterk voor de dag, maar toch blijf ik er naar streven. Op Living on the Edge, mijn laatste kwartet-cd (Black Saint), ben ik in dit opzicht buitengewoon trots. Die heeft precies de variëteit die ik nastreef.”

Over geld, contracten en royalties wenst Redman niet te praten. Liever haalt hij anekdoten op. Hoe hij bibberend van de zenuwen zijn eerste plaat met Ornette Coleman maakte met op slagwerk de wizard Elvin Jones. “Zij waren beroemd, wat moest ik in godsnaam in dat gezelschap.” Dankzij de steun van bassist Jimmy Garrison - 'doe maar gewoon je eigen ding' - pakte het toch nog heel aardig uit. Een ander verhaal gaat over collega-saxofonist John Coltrane, die hij eens complimenteerde met zijn mooie handen. Waarop Coltrane zo langdurig zweeg, dat Redman in paniek was geraakt. Had hij iets verkeerds gezegd? Zou Coltrane misschien denken dat hij gay was? De bloedserieuze John C. reageerde echter slechts als altijd een tikje secundair. Tja, over de handen van saxofonisten gesproken, had Redman die van Charlie Parker al eens bestudeerd?

En dan snijdt Redman zijn tweede trots aan: zijn niet te imiteren toon. “I reach for sound,” zegt hij. Techniek? Hoogstens op de tweede plaats. Alle musici waar hij zelf graag naar luistert, hebben in elk geval één ding gemeen. Een mooie toon - heel persoonlijk in elk geval. Dexter Gordon, Lockjaw Davis, Sonny Rollins. En natuurlijk John Coltrane die hem vertelde dat hij vooral veel studeren moest. “Shit,” zegt Redman, “dat kon ik zelf ook wel bedenken, was dat het geheim van fantastisch spelen?”

De schok van Redmans leven was de ontdekking dat John Coltrane, beroemd als hij was, helemaal geen 'ego' had. Niks van dat 'I'm a bad motherfucker'-gedoe. Het sterkte hem in het idee dat het anders kon. Dat het opblazen van de borst niet per se hoefde. Dat het belangrijker was wat echte kenners vonden, collega-musici vooral. “Ze komen naar me luisteren. Joe Lovano en Branford Marsalis hebben composities naar me genoemd. Lof van collega's, dat is de mooiste eer die een musicus te beurt kan vallen.”