De zeventiende-eeuwse beuzelschriften van Simon de Vries; Nieuwe hutspot van oude rapen

Arianne Baggerman: Een drukkend gewicht. Leven en werk van de zeventiende-eeuwse veelschrijver Simon de Vries. Uitg. Rodopi, 344 blz. Prijs ƒ 65,-

Het bestaan van een sensatiepers is geen gevolg van de toegenomen produktie van bedrukt papier. Ook in een tijd dat papier nog een schaars goed was zagen uitgevers er al brood in om de honger naar pulp en sensatiezucht te bevredigen. Kan er vlees uit de aarde groeien? Wat is een Grobianus? Waarom hebben de vrouwen in Nieuw Guinea zulke grote neusgaten? Wie weet dat er een misdadiger bestond die, zelfs nadat zijn hart uit zijn lichaam gesneden was, nog kon praten, en een vrouw uit Leiden met een tong ter breedte van haar hand? Dergelijke kwesties worden behandeld in de werken van de zeventiende-eeuwse Utrechtenaar Simon de Vries (1628-1708), met titels als Groot historisch magazijn (1688), Oude en nieuwe tijds wondertoneel (1671) en Schouwplaets der jammerlijcke bloed- en moordgeschiedenissen (1689).

Deze schrijver heeft niets gemeen met beroemde tijdgenoten als Vondel, Hooft of Huygens, maar vervaardigde in bestek van een halve eeuw een omvangrijk oeuvre, en kon dus hoogstwaarschijnlijk ook op populariteit bij zijn lezers rekenen.

Vreemd genoeg weet echter niemand meer wie hij is. Al in de achttiende eeuw blijkt er verwarring te zijn over zijn persoon, in de negentiende eeuw wordt er zelfs een prijsvraag uitgeschreven door het tijdschrift de Navorscher, met de kwellende vraag: wie was Simon de Vries? Pas weer een eeuw later, na het verschijnen van het proefschrift van Arianne Baggerman kan die vraag beantwoord worden.

Simon de Vries is de zoon van een calvinistische dorpsonderwijzer. Deze Lucas de Vries vestigt zich rond 1640 in Utrecht als boekhandelaar, drukker en uitgever, toentertijd een voor de hand liggende combinatie. Simon volgt de voetsporen van zijn vader, maar koestert ook literaire ambities. Zijn eerste dichtbundel Zielen-lusthof verschijnt in 1645 in een luxe uitvoering. Versierd met een statig bedoeld portret van de jonge auteur - Simon is dan zestien jaar - is de dichtbundel een waardig visitekaartje in de Republiek der Letteren. Toch komt zijn schrijverscarrière niet goed van de grond. Zijn uitgeversactiviteiten combineert hij met het maken van vertalingen. Pas rond 1670 geeft hij zijn eigen bedrijf op; vanaf dan werkt hij alleen voor andere uitgevers.

Zestig boeken verschijnen er van zijn hand, vooral vertalingen en compilatiebundels vol wonderbaarlijke, griezelige en wetenswaardige gebeurtenissen. In een tijd waarin de wereld snel groter werd, maar er nauwelijks nog tijdschriften en helemaal geen kranten bestonden, maakte het niet uit als wetenswaardigheden, tien, vijftig of zelfs honderd jaar oud waren. Niet voor het publiek waar De Vries op mikte tenminste, weinig belezen mensen, even rechtzinnig calvinistisch als hijzelf, die waarschijnlijk geen andere talen spraken, en de klassieken nauwelijks kenden. En ook al verweerde hij zich tegen de beschuldiging dat hij oude rapen tot nieuwe hutspot opwarmde, in de ogen van schrijvende generatiegenoten ontkwam hij daar niet aan.

Maar van hen moest hij het ook niet hebben. Uit zijn prologen blijkt dat De Vries niet kon schrijven wat hij wilde. Hij was afhankelijk van zijn uitgevers, en van de kooplust van het publiek. Af en toe lanceert hij in zijn teksten een idee voor een dichtbundel, die vervolgens - waarschijnlijk omdat er geen animo voor bestaat - nooit in druk verschijnt. Ook als hij de vorm van zijn compilatiebundels probeert te veranderen blijken de lezers daar niet van gediend. Ze willen wat ze al kennen, en De Vries moet ze dat geven. Hij was een producent van goedkope lectuur, een beroepsauteur.

Simon de Vries zou een voorloper van de achttiende-eeuwse verlichte broodschrijvers genoemd kunnen worden. Met dat verschil dat hij oud werd aan de vooravond van de Verlichting, en de veranderingen in denken die dat met zich meebracht afwees. Dit bleek heel duidelijk toen hij zich mengde in een grote godsdienstige pennestrijd over bijgeloof.

In 1691 verscheen De betoverde wereld van Balthasar Bekker, die groot opzien baarde met zijn beweringen dat heksen en duivels niet bestonden. Op aandringen van zijn uitgever pakte De Vries een oud maar nooit afgemaakt project weer op, om in sneltreinvaart een bundel heksenverhalen op de markt te kunnen brengen. De Vries schreef een vurig voorwoord waarin hij Bekkers opvattingen bestrijdt. Naar zijn idee stond het bestaan van heksen buiten kijf. Het was een ongelukkige zet. De Vries' boek wemelde van de corrupte, makkelijk te weerleggen, en zelfs katholieke voorbeelden van bijgeloof. De kritiek die hij van Bekkers' medestanders te verduren kreeg was niet gering. Tot ver in de achttiende eeuw kreeg hij het predikaat opgeplakt een oude zeurende schoolmeester te zijn, die zich specialiseerde in het aan elkaar rijgen van oudbakken sensatieverhalen.

Hoewel De Vries' compilatiebundels nog tot in de achttiende eeuw herdrukt worden, verandert de waardering voor zijn werk drastisch. Zo heeft Jacob Campo Weyerman het in 1726 over diens eeuwigdurende beuzelschriften voor dienstmeiden en melkmuilen. De op de vraag van zijn tijd toegesneden informatie van De Vries kon een kleine eeuw later al geen lezer meer bekoren. En hoewel drie eeuwen na verschijning de curiositeitswaarde van zijn werk natuurlijk flink is toegenomen, wekt een eerste kennismaking de indruk dat onze kritische voorouders zich in hun literaire smaak niet erg vergist hebben.

    • Jinke Obbema