De wereld is een puinhoop en prachtig bovendien; Els Pelgrom over kinderliteratuur en avontuurlijk leven

In de boeken van Els Pelgrom kruipen kinderen terug in de buik van hun moeder, zijn vriendjes zelfverzonnen en beren stomvervelend. Pelgrom herkent zich in alle dieren, in een slimme pad, een ondernemende marter, maar ook in een varken dat voortdurend kokkerelt, opruimt en troetelt. “Mijn perspectief is het perspectief van een kind dat in een hoekje zit en de wereld op zich af ziet komen.” Voor haar gehele oeuvre kreeg zij verleden week de Theo Thijssenprijs, de belangrijkste prijs voor jeugdliteratuur in Nederland.

De boeken van Els Pelgrom verschijnen bij uitgeverij Querido.

Els Pelgrom is een kip. Een domme witte kip die niet kan vliegen, maar het toch probeert en die denkt dat Noach en Winnie de Poeh een en dezelfde persoon zijn. Els Pelgrom is ook een kat met reumatiek en een pad die op Oblomov lijkt en een varken dat af wil slanken. Ze is een ram en een marter en een eekhoorn en een vlaamse gaai. Alleen een olifant is ze niet. “De olifant is een buitenstaander,” zegt Pelgrom. “Dat dier kneutert niet. Hij hoort niet bij het dagelijks leven.”

Genoemde dieren zijn de hoofdpersonen uit De olifantsberg (1985), een van de eenentwintig kinderboeken die Els Pelgrom (Arnhem, 1934) sinds 1962 heeft geschreven. Ze debuteerde met het vrij snel vergeten Het geheimzinnige bos. Daarna werd ze moeder, onderwijzeres, journaliste en vertaalster. In 1977 publiceerde ze opnieuw een boek, De kinderen van het Achtste woud, waarmee ze een Gouden Griffel won. Sindsdien is Pelgrom blijven schrijven. Marter en zijn vrienden komen nog een keer terug in Het onbegonnen feest (1987). Pelgrom kan zich in alle dieren herkennen, zowel in de moeder van de pad, een koud kreng dat de anderen minacht, als in Zeugster, het dubbelvrouwelijke varken dat voortdurend bakt en braadt en reddert. Ze vindt ze allebei afschuwelijk. “Dat varken is toch een ramp om mee te leven? Ik heb soms ook een aanval van zeugsteren, dan wil ik kokkerellen en opruimen en vertroetelen. Het is ziekelijk.”

Het vaakst voelt Pelgrom zich als de ondernemende Marter, die een beetje contactgestoord is, maar dat merken de meeste mensen toch niet. Het liefst is ze Pad. Want die is het slimst. En hij voert niets uit. Hij ligt in zijn versleten kamerjas op bed en doet net of hij gedichten schrijft.

Voor haar eenentwintig boeken is Els Pelgrom nu de Theo Thijssenprijs 1994 toegekend. Deze driejaarlijkse onderscheiding is de belangrijkste prijs voor jeugdliteratuur in Nederland. De prijs bedraagt 75.000 gulden. Daarnaast krijgt de winnaar 50.000 gulden om te besteden aan een literair doel dat verband houdt met haar oeuvre. Eerdere winnaars waren Wim Hofman en Willem Wilmink.

Pelgrom, al bekroond met drie gouden en twee zilveren griffels en met de Duitse jeugdliteratuurprijs, is trots op haar nieuwe onderscheiding, al maakt ze een voorbehoud. Vóór 1991 kreeg de winnaar van de prijs maar de helft van wat de winnaar van de P.C. Hooftprijs kreeg. “Als dat nog steeds zo was geweest, had ik de prijs geweigerd. Ik vond dat mindere bedrag een raar soort discriminatie. Een kinderboekenschrijver kreeg wel een prijs, maar er werd minder waarde aan zijn werk gehecht.” Pelgrom is nu opgelucht. “Weigeren was moeilijk en vervelend geweest.” Aan welk literair doel ze de 50.000 gulden gaat besteden, weet ze nog niet.

Het oeuvre van Pelgrom is een rijk oeuvre, rijk aan feit en aan fictie, aan autobiografie en biografie, aan herinneringen en aan dromen. Behalve in de twee boeken over dieren, is de hoofdrol in haar boeken meestal weggelegd voor een kind van een jaar of tien, twaalf. Net als bij de dieren is er ook hier sprake van verwantschap tussen schrijfster en personages. “Ik ben weinig veranderd sinds ik twaalf ben. Mijn hoofdpersonen lijken op het kind dat ik was en ben. Mijn perspectief is het perspectief van een kind dat stil in een hoekje zit en de wereld op zich af ziet komen.”

De wereld kan zich aan de kinderen van Pelgrom op verschillende manieren voordoen. Er zijn kinderen als Noortje en Santiago, die deel uitmaken van een rauwe realiteit, de een op een boerderij op de Veluwe tijdens het laatste oorlogsjaar (De kinderen van het Achtste Woud), de ander in een grot in een Andalusisch daglonersdorp vlak na de Tweede Wereldoorlog (De eikelvreters, 1989). Er zijn kinderen als Frances en Zwaantje die de werkelijkheid saai of vervelend vinden. De een verzint daarom een eigen taal (De zwervers van de Zakopane, 1978), de ander bedenkt drie vriendjes met bruin piekhaar die alleen zij kan zien (Drie Japies, 1980). En er zijn kinderen als Roulf en Sofie wier werkelijkheid door Els Pelgrom een handje wordt geholpen. De een laat ze elke ochtend terugkruipen in de buik van zijn moeder (Ongeboren Roulf, 1992), de ander mag na haar dood samen met haar speelgoedbeesten in een diepblauwe auto aan een eindeloze reis beginnen (Kleine Sofie en Lange Wapper, 1984).

Voor Pelgrom is het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid niet zo belangrijk. Aan de basis van haar boeken staat altijd een verhaal dat er eigenlijk al was. “Kinderen spelen in de verleden tijd. Toen was dit een eiland en jij verdronk en ik kwam je redden. Dat is al een verhaal,” zegt Pelgrom. Zij hoeft het alleen nog op te schrijven.

Granada

Els Pelgrom heeft koffie en koek naar boven gedragen. Ze zit op het dak van de keuken van haar kleine huis in Sacromonte, rolt een shagje, aait de hond, kijkt naar de steile berg aan de overkant van het smalle dal. Verder weg zijn de rode muren van het Alhambra, nog verder de witte van El Albaicín, de moorse wijk van de Zuid-Spaanse stad Granada. Alles kan aanleiding zijn voor een verhaal.

Het idee voor De olifantsberg kreeg ze tijdens een verblijf in Italië. Ze had daar al een pad, een marter en een verdwaald lam ontmoet. “Toen zat ik een keer voor het raam en keek naar de overkant van het dal. Het liep tegen de avond. Heel even werd de berghelling fel verlicht. Ik dacht: je zou nu van alles kunnen zien wat anders verborgen blijft. Er zou bijvoorbeeld opeens een olifant zichtbaar kunnen worden.”

De kinderen van het Achtste Woud is gebaseerd op Pelgroms jeugdherinneringen. Net als heldin Noortje kwam Els Pelgrom, toen nog Else Koch, in 1944 op een boerderij terecht. Het boek is te lezen als een hommage aan het gezin dat haar opnam. De eikelvreters beschrijft de harde, hongerige jeugd van haar tweede echtgenoot, de Spanjaard Salvador Gonzáles Barragán in Sacromonte. Trots en warm beschrijft Pelgrom hoe de jongen, in het boek Santiago genaamd, zich door het leven slaat, hoe hij stiekem brandhout raapt en met tegenzin varkens hoedt, hoe hij geniet van het zingen van de zigeuners en de processies van de katholieke kerk, hoe hij door zijn vader geslagen wordt als hij heeft gebedeld en hoe hij weigert het kunstgebit van abt Florencio uit de wc te vissen nadat die tijdens een overvloedig maal zijn vinger in zijn keel heeft gestoken.

In Sacromonte is sindsdien veel veranderd. De bossen zijn verdwenen, het klooster van abt Florencio staat leeg, in de grotten wonen alleen nog hippies. Voor de grot van Salvador is een rommelig huis gebouwd en daar woont Pelgrom nu, alleen, haar echtgenoot is vorig jaar overleden.

Over het huidige Sacromonte en Granada schrijft ze eens in de veertien dagen voor de Kinderpagina van NRC Handelsblad. Ze is daar minder vaak lyrisch dan in De eikelvreters. “Vroeger was alles voor het oog mooier dan nu, ook hier in Granada,” zegt Pelgrom. “Geen antennes en meer bomen. Ik heb de armoede van vroeger in De Eikelvreters niet willen romantiseren, maar net als in de oorlog was er voor een kind denk ik toen veel te beleven. Je wenst het niemand toe, maar ik zou het niet hebben willen missen. Mijn man heeft me een tweede jeugd cadeau gegeven.”

De kinderen beertje

Als kind las Els Pelgrom graag Jules Verne, Dickens en Selma Lagerlöf. “Mijn smaak is niet echt veranderd,” zegt ze nu. Het ging en gaat mij erom dat je door te lezen in een heel andere wereld terecht komt. Op navelstaren, peuteren in zieleroerselen ben ik niet dol. Andere mensen houden van boeken waarin ze hun eigen situatie herkennen. Daarom schrijven ze voor kinderen 'probleemboeken', over milieuvervuiling bijvoorbeeld. Daar houd ik niet van. Ik wil iets nieuws, ik wil avontuur.”

De boeken van Pelgrom zijn in veel Europese talen vertaald. De meeste Nederlandse en buitenlandse kinderen die ze lezen zullen niet zo'n extreem leven leiden als haar helden en heldinnen. Santiago uit De eikelvreters werkt al als hij acht jaar is. Elfjarige Fine uit Voor niks gaat de zon op (1982) dient honderd jaar geleden in Nederland bij een mevrouw die zelfs te lui is om een kluwen wol van de grond te rapen. En Sofie uit Kleine Sofie en Lange Wapper is ziek en sterft. De kinderen die Pelgroms boeken lezen zullen eerder lijken op de kinderen Beertje uit het laatste boek, bij wie Sofie een poosje mag logeren. De kinderen Beertje zijn 'lieve vriendelijke' kinderen. Ze hebben het goed. Als het sneeuwt rijden ze sleetje en voor ze naar bed gaan krijgen ze nog een beker warme chocolademelk. “Ik kies altijd voor de underdog,” zegt Pelgrom. “Dat kan geen kwaad. Ik heb geen boodschap, maar ik wil vertellen hoe ik de wereld zie. De wereld is een enorme puinhoop en prachtig bovendien. Ook kinderen weten door het nieuws op de televisie dat het leven een puinhoop kan zijn. Het lijkt me prettig voor hen om die wetenschap in een sprookjesachtige wereld vertaald te zien.”

Als Pelgrom wil formuleren waar het haar in haar boeken om te doen is, leent ze de woorden van Sofie's poes Terror. Wat er in het leven te koop is, daar gaat het om in al haar boeken, maar vooral in Kleine Sofie en Lange Wapper, haar meesterwerk. Het boek gaat absoluut niet over de dood, meent Pelgrom. Het vertelt wat het leven is. Om daar een vorm voor te vinden, maakte Pelgrom Sofie ziek. Kinderen zijn nieuwsgierig, zegt Pelgrom. Maar kleine Sofie is wel heel nieuwsgierig. Dat moest ik aannemelijk maken en daarom heb ik haar zo ziek gemaakt. Sofie weet dat ze weinig tijd heeft.''

Het happy end van Sofie, die na haar dood samen met haar poes en knuffeldieren aan een eindeloze reis begint, is bedoeld als troost, zegt Pelgrom. “Omdat we niet weten wat er na de dood gebeurt.”

In het echte leven bieden schoonheid, vriendschap, liefde en seks tegenwicht aan de ellende. “Sofie blijft Lange Wapper trouw ook al laat hij haar in de steek. Sofie is verliefd op Lange Wapper en geliefden zijn niet altijd aardig. Lange Wapper is een proleet, een vlotte jongen, en dat heeft zo z'n aantrekkingskracht.” In De Eikelvreters krijgt Santiago die tot zijn zestiende alleen maar honger heeft gekend en er nu genoeg van heeft door de ontdekking van seks weer zin in het leven. En in Het onbegonnen feest komen de dieren tot rust als de olifant, hun vriend, weer terugkomt. 'Marter zat dicht naast hem. Ze praatten weinig en als ze praatten was het over de meest onbenullige dingen. Dat deed er niets toe. Het was zo goed zijn stem weer te horen; allemaal wilden ze dicht bij hem zijn en naar die stem luisteren.”

Weglaten

Nog steeds is het mooi in en om Granada, nog steeds wordt de blauwe lucht scherp van de aarde gescheiden door de groene bergkam aan de overkant van de vallei. De motieven op de tegeltjes tegen de muur zijn dezelfde als in een van de zalen van het Alhambra. Els Pelgrom loopt de ijzeren buitentrap af, langs de potten geraniums, op weg naar de cactussen. Ze hangt de zangvogels binnen, bang dat ze gestolen worden.

We lopen naar El Albaicín. Pelgrom vertelt verder. Ze schrijft langzaam, vindt ze zelf. Over De olifantsberg deed ze ongeveer zeven maanden. “Vaak haal ik het eerste hoofdstuk weg, omdat daarin te veel wordt uitgelegd. Het verhaal moet vanzelfsprekend lijken. Daarom haal ik achteraf ook veel details weg. Die verminderen de spanning. In de indrukwekkende film The Piano van Jane Campion is bijna alles weggelaten. Je ziet de personages niet eten, niet werken, niet wassen. Dat maakt de film heel geheimzinnig. De film is zo gemaakt als een kort verhaal geschreven zou moeten worden.”

In de boeken van Pelgrom gebeurt veel. Vaak razen de avonturen in vliegende vaart voorbij. De beschrijvingen moeten daarom in een keer raak zijn. Er is geen tijd voor herhaling. Om dat te bereiken 'doktert' Pelgrom lang aan haar zinnen. Uiteindelijk schrijft ze dan bijvoorbeeld dat de vacht van een koe de kleur heeft van vette room en verroest ijzer. “Room en roest roepen het beeld op van een stal, waar een koe vaak verblijft. Mooie taal kan ook voor kinderen geen kwaad, ook al wordt het niet verwacht in kinderboeken. Maar wat je in je jeugd leest, is wel bepalend voor je latere smaak.” Haar twee boeken over dieren vindt ze zelf het meest geslaagd. “Die zijn het zuiverst.”

Pelgrom wordt in het juryrapport van de Theo Thijssenprijs een hoffelijke, verstandige, vriendelijke, onmoralistische, gevoelige en bovenal dappere schrijfster genoemd. Pelgrom is dapper omdat ze verdriet niet uit de weg gaat. Ze maakt het niet mooier, ze dikt het niet aan. Juist door die houding wordt het draaglijk.

De kinderen Beertje kunnen veel van haar boeken leren, over levens die anders zijn dan het hunne, maar daarom niet slechter. Integendeel. Vader Beertje, telg uit een familie van kooplui en ondernemers, komt er in Kleine Sofie en Lange Wapper slecht vanaf. “Beertje is een klootzak,” zegt Pelgrom, “een stereotype. Hij denkt alleen aan zijn eigen hachje.” Dief Lange Wapper en hoertje Annabella verdienen meer sympathie. “Annabella is een hoertje met een goed hart als het erop aankomt. Wat kinderen uit dit boek kunnen halen is dat het in de wereld niet alles is wat het lijkt. Ook mensen zijn niet altijd wat ze lijken.”

Pelgrom strijkt neer op een terrasje in El Albaicín. De zon schijnt. In de schaduw is wijn en brood en soep met bloedworst en bonen. Studenten studeren, vrienden kletsen, geliefden vrijen onder de hoge bomen. Pelgrom is somber over de toekomst. “Vroeger dachten we alles met revolutie en idealisme op te kunnen lossen, maar dat pakte anders uit. De mens is zichzelf aan het uitroeien. Misschien maak ik het einde van de wereld niet meer mee, maar mijn kinderen en kleinkinderen wel.” Ze vreest overbevolking, volksverhuizingen, oorlog. In de Derde Wereld is het al zover. Maar daarover schrijven wil ze niet. “Dat is te wreed voor kinderen. Daarbij vergeleken is Kleine Sofie nog een heel lief verhaal.”

Pelgrom werkt nu aan een nieuw kinderboek. Ze weet nog niet of het zal lukken. “Misschien ben ik wel uitgekeken op kinderboeken; heb ik alles gezegd wat ik te zeggen heb.” Het betekent niet dat ze ophoudt met schrijven. “Wellicht ga ik nu nu eens iets voor volwassenen proberen. Een thriller. Of pornografie.”

    • Bianca Stigter