De bleke zon van onze nachten; La voce della luna, de laatste film van Fellini in premiere op televisie

“Wat houd ik van herinneren. Meer dan van het leven,” laat Federico Fellini een van de twee hoofdpersonen zeggen in 'La voce della luna'. Fellini's laatste speelfilm werd in 1990 zuur ontvangen, maar bevat zulke prachtige beelden en zoveel tedere onverschrokkenheid dat een negatief oordeel buiten de orde is. De NOS zendt de film vanvond uit.

'La voce della luna' wordt vanavond uitgezonden op Nederland 3, 23u11-01u11.

De film maakt ook deel uit van het grote Fellini-retrospectief, komende zomer. Hij zal in het Nederlands Film Museum in Amsterdam te zien zijn op 30 juni, 14 en 28 juli, en in het Haags Filmhuis in Den Haag op 26 en 27 juli.

Federico Fellini had ook een zwak voor mannen - maar niet voor alle mannen. In zijn films komen ze voor in twee soorten. De dikdoeners zien we het meest, misschien doordat die in Italië ook zo gemakkelijk zijn aan te wijzen. Denk aan het centrum van Rome en je ziet ze voor je: de mannen die hun zware, dure, meest zachtbeige, winterjas losjes van de schouders af laten hangen. Mouwen leeg, knopen werkeloos, knuisten met krachtige polsen naar voren gedraaid aan de luxueuze kraag. Rap pratend snoeren ze iedereen de mond. Naar wie ze van repliek dient, wordt niet geluisterd, wie ze negeert niet eens opgemerkt. De ene ondersoort van dit type lacht onafgebroken en doet zich aardig voor, warm, sympathiek, maar in de grond lacht hij uitsluitend zichzelf toe. Een andere vertakking betoont zich nog zelfgenoegzamer. Hij reageert op niets en niemand. Hij ìs en daar mag de hele wereld blij mee zijn. Hoe dan ook, deze mannen beminnen alleen hun eigen stem, hun eigen mening en vooral hun eigen positie.

De andere soort man, de man die Fellini lief heeft, is minder talrijk in zijn films, al speelt hij doorgaans wel de hoofdrol. Hij viel zelfs, gemaskeerd in rokken, te herkennen wanneer Fellini zich concentreerde op een vrouwelijke figuur, zoals in La strada en Giulietta degli Spiriti (Giulietta van de geesten). Zulke mannen stralen in het middelpunt van Fellini's aandacht: Marcello (La dolce vita), Giacomo Casanova, Guido (Otto e mezzo, 8 1/2), Bruno (Amarcord), Snáporaz (La città delle donne, Vrouwenstad). Ze zijn gevoelig, zachtmoedig, teder, onhandig en naïef. Van intimidatie en hanig vertoon hebben ze nooit terug. Ze zijn speels, patserig, gluurders, dwepers en ontembare kleine romantici. Jongens zijn ze, jongens zullen ze altijd blijven. Jongens die naar vrouwen kijken, om precies te zijn.

Fellini maakte er geen geheim van dat hij zichzelf in deze figuren opriep. Werd het personage gespeeld door Marcello Mastroianni dan was de identificatie bijna tastbaar - de acteur werd zo aangekleed en geregisseerd dat hij en de cineast op elkaar gingen lijken als een hond en zijn meester. Maar ook in een objectief verder van hemzelf verwijderde figuur als de schrijver en minnaar Casanova, worstelde Fellini met zijn eigen gevoelens, met zijn eigen weerspannige filosofie en creatieve intellect, met zijn eigen mensenhaat, met zijn eigen door vrouwen beheerste gedachten, met zijn eigen angst voor de van mensenherrie doortrokken leegte.

Luide stilte

Federico Fellini (1920-1993) maakte in 1990 voor de laatste keer een speelfilm, die hij La voce della luna noemde, 'De stem van de maan'. De NOS zendt de film vanavond uit, als slot van het Fellini-retrospectief dat samen met de VPRO-televisie werd georganiseerd. Dat de film in Nederland te zien zal zijn is een klein wonder, waaraan weer wordt afgedaan door het kleine scherm, het geluid en de onvaste kleurschakeringen van het televisietoestel. Want als er iemand films voor in de bioscoop maakte, dan is dat Federico Fellini geweest. Hij putte uit een geest die kon bogen op iets, dat ik niet een 'denkraam' maar een 'etaleerraam' zou willen noemen. Hij kon wat elke cineast zou willen kunnnen: met wilde plaatwerken tekende hij ons zijn gedachten uit. Hij liet zien wat er in hem opkwam. Herkenbaar, zelfs bekend. En exotisch, grillig, groots.

Dat La voce della luna hier zo'n onhoffelijke ontvangst krijgt, is de schuld van de gezamenlijke Nederlandse distributeurs. Geen van die distributeurs, onder wie er schatten verdienden met films van Fellini, achtte de film destijds lucratief en dus bleef hij onzichtbaar voor het Nederlandse publiek. Er zullen wel argumenten voor geweest zijn, maar ik wil ze niet horen. Zo veel erkende genieën telt Europa niet en als er eentje van zich laat horen moet het vanzelf spreken dat zijn werk ook hier op de best mogelijke manier toegankelijk wordt gemaakt.

Van invloed op die laffe houding zal zijn geweest dat van het Filmfestival van Cannes, waar de film werd gepresenteerd, wat zure berichten kwamen. La voce della luna zou niet zo goed zijn, werd er in Nederlandse kranten geschreven. Het wilde er bij mij niet in. Een slechte Fellini had ik nog nooit gezien en zelfs zijn films die minder genoemd konden worden, herbergden naast irritante momenten altijd nog zoveel bijzonders, nog zoveel ogenfeest, nog zoveel tedere onverschrokkenheid, dat een eventueel negatief oordeel buiten de orde was.

Inmiddels heb ik La voce della luna meermalen bekeken, per videotape, op het televisiescherm. Mijn enige ergernis gold het gebrek aan bioscoop-comfort. En verder? O ja, je kunt zeggen dat de film onevenwichtig is, ongestructureerd, dunnetjes van verhaallijn. Er zijn scènes waarin al te statisch wordt gesomberd en andere gaan gebogen onder de maatschappijkritiek van iemand die geen zin meer had om moderne ontwikkelingen serieus te nemen. En dan heb ik het nog niet eens over de soms abominabele nasynchronisatie.

Maar 'niet zo goed?' Ga toch weg. Net als bij alle andere films van Fellini hoef je je maar uit te leveren aan de eigen wereld die hij schiep, je over te geven aan zijn persoonlijke gedachten die deze laatste keer vooral cirkelden rond leven en sterven, vergankelijkheid en eeuwigheid. Dan komt alles Goed.

De film begint en Fellini zet een held neer zoals het hem betaamt. Over een donker, even sprookjesachtig als slordig veld vol nevelflarden scharrelt een kleine man. Er heerst luide stilte: geruis van gras, gesmiespel van struiken, gekwaak, getsjilp, een traag 'kraaaa, kraaaa'. Maar er is meer. Er is geroezemoes, gefluister, er wordt zacht geroepen, maar te verstaan is er niets, of het moet een gemurmelde versie van zijn naam zijn: 'Ivo! ...Ivo Salvini!'

Ivo Salvini denkt al te weten hoe de Melkweg is ontstaan, maar nu zoekt hij antwoorden op vragen die niet gesteld mogen worden. Waar gaan de vonken heen als ze uitgegloeid zijn? Waar blijft de muziek nadat de noten hebben geklonken? Op een kerkhof spreekt hij de portretjes op de grafstenen toe. Hij prijst de doden: “Sterven moet niet gemakkelijk zijn. Mij is het althans niet gelukt.” Hij buigt zich dieper naar de fotootjes: “Maar waar zijn julie?” Hij veronderstelt dat er 'ergens op de wereld' een gat is dat toegang geeft tot 'de andere zijde'. De camera zwenkt mee met zijn blik, omhoog. Wat ziet hij? Juist. Hij kruipt erdoor, kijkt om zich heen en ziet een wereld die dezelfde is als aan de andere kant van het gat. Maar dat is schijn.

Salvini buigt op het dampige veld zijn scharminkelige gestalte over de rand van een onbestaanbaar rustieke waterput. Ze roepen me, weet hij, maar eer hij gehoor kan geven aan de stemmen in de put, arriveert er een uitgelaten gezelschap. Het zijn de oud geworden jongemannen van alle leeftijden waar Fellini van houdt. Jongens die, ik zei het al, naar vrouwen kijken. En dat is precies wat ze gaan doen. Elkaar verdringend voor een venster, zien ze door de vitrage een dansende vrouw die met een onbeholpen striptease haar allang niet meer jonge lichaam laat lokken. Is ze lelijk? Misschien. Wie zich uit Otto e mezzo herinnert hoe de gekke strandvrouw La Saraghina op verzoek van ademloze jongetjes in een tomeloos strakke, gescheurde jurk haar heupen en borsten liet draaien om de rumba te dansen, weet dat ze niet afzichtelijk kan zijn, alleen maar heerlijk.

Net zo min als in zijn eerdere werk is het in deze film de laatste keer niet dat Fellini een figuur, een gebeurtenis of een locatie oproept die hij eerder, soms meermalen, gestalte gaf. In het door de NOS al uitgezonden, laatste televisie-interview verklaarde hij dat zijn films grotendeels worden bepaald door autobiografische elementen en in de figuur Salvini verzucht hij: “Wat houd ik van herinneren. Meer dan van het leven.” Dat die herinneringen in de verschillende films terugkeerden verveelde nooit. Integendeel, het heeft Fellini's oeuvre iets vertrouwds gegeven, iets dat groeit naarmate je er meer in thuis raakt. De verslindende grote vrouw die haar man gulzig op zich trekt en bij het vrijen tekeer gaat als een stoomtrein (waarbij er stoom opwolkt uit het bankje onder hen) is lach- en deerniswekkend, maar de feestelijke blik op de enorme schaduwen van haar wild maaiende kuiten getuigt van vitaliteit en is een pendant van Anita Ekbergs reuzin die voor een klein mannetje van een groot reclamebord stapte in Boccaccio 70 - Le tentazioni del dottor Antonio.

Vulgair

Sedert Ginger e Fred gaat Fellini gebukt onder de terreur van de massacultuur, die alles wat hem lief en waardevol is vernietigt. In La voce della luna groeide die zorg alleen maar. Zo valt het intieme stadsplein uit Amarcord te herkennen, alleen is de nostalgie verdwenen. Het wordt gedomineerd door een modieus Grand Café dat dreigend 'Gran Caffè Europa' heet, is omboord door schreeuwende billboards, wordt overstroomd door luidruchtige toeristen en biedt uitzicht op een batterij rokende fabriekspijpen. Ook de begluurde dansende vrouw wordt ontsierd: in haar kamer schettert lelijke 'sneeuw' op een televisiescherm dat ingeschakeld bleef ook al is het programma afgelopen.

Niet iedereen en alles is onderhevig aan bederf en vulgariteit. Salvini kan nog getroffen worden door een nauwelijks verlichte etalage waarin enkele bruidsjaponnen langzaam ronddraaien op hun paspoppen - een hoofdloos ballet dat ontroering echoot uit Fellini's Casanova. Bij het zien van een levensgrote, een menuet dansende damespop realiseerde die zich dat zij, alleen zìj zijn grote, onbereikbare liefde kon zijn. Salvini heeft een andere, even onbereikbare liefde: de maan, 'de bleke zon van onze nachten'. Hij dacht haar te herkennen in het slapende gezicht van een vrouw maar werd ruw verjaagd toen deze maan wakker werd, begon te gillen en haar zilveren schoentje naar zijn verdwaasde kop gooide.

Salvini zwalkt draaierig door de vale provinciestad, waar behalve wansmaak zijn jeugdherinneringen leven en waar hij geestverwante vrienden ontmoet om te luisteren naar hun dromen, hun verhalen. Daar probeert hij, om gelukkig te worden, telkens opnieuw zijn maan te benaderen. Maar de maan kun je niet benaderen, laat staan vastbinden en voor jezelf houden en bovendien is het zo zeker niet dat ze onbezoedeld is. Salvini's volle maan krijgt in een onbewaakt ogenblik in de hemel het gezicht van de aanbeden aardse vrouw. Een armetierige glimlach verbuigt haar mond en ze roept 'Pubblicitàààà', oftewel 'tijd voor reclaaaame!'

Was de rol van Salvini twintig jaar geleden geknipt geweest voor Marcello Mastroianni, nu viel hij toe aan Roberto Benigni. In geen enkel opzicht een ladykiller als Mastroianni, maar wel de leeftijdloze jeugd van de eeuwige onschuld uitstralend. Benigni is een komiek, die beroemd werd dank zij hilarische rollen in de films Down by Law en Night on Earth van de Amerikaan Jim Jarmusch. Na Jarmusch liet hij zich kennen als een schreeuwerige clown die snel vervalt tot vermoeiende lolbroekerij. Fellini gaf hem de rol van de ernstige dwaas. Met zachte stem spreekt Salvini onafgebroken zijn verbazing uit, met zachte blik sleept hij iedereen mee in zijn visionaire fantasieën. Olijke blikken laat hij achterwege, luidruchtig gelachebek ook, en dat brengt hem tot een prachtig ingetogen, roerend geschutter.

Smerige ziekte

Tegenover Benigni plaatste Fellini een tweede hoofdpersoon, een oudere man, ook een afsplitsing van hemzelf. Kon hij in Benigni zijn jeugdig overmoedige verbazing en verdwazing kwijt, in de oudere man detacheert hij om te beginnen zijn haat tegen de ouderdom. Niks wil deze figuur weten van oude mannen die met piepende adem en kromme benen komen zeuren of hij een kopje kamillethee wil gebruiken. Hij slaat ze van zich af: hem zullen ze niet besmetten met die ouderdom van ze, 'die smerige ziekte'.

Deze oudere figuur wordt ook vertolkt door een befaamde Italiaanse komiek: Paolo Villaggio. Winnaar van talloze grote en kleine prijzen voor zijn types, maar ook hij mocht zich van Fellini niet uitleven. Op gedenkwaardige wijze speelt hij een doodernstige figuur. Is Salvini een wijze dwaas, deze Gonella is een dwaze wijze. Hij leert Salvini in een boze monoloog Fellini's waarheid over al die mannen met hun draadloze telefoons en hun pakken en hun auto's en hun vertoon van belangrijkheid: “Niemand van die heren heeft iets te doen. Niente. Allemaal nep!” En Gonella kan het weten. Oorspronkelijk heeft hij zelf behoord tot het slag mannen dat Fellini liefst voor gek zet. Hij was een opportunistische lokale gezagsdrager, die zijn grote liefde afwees toen hun verhouding hem politiek niet uitkwam. Nu en dan duikt ze op, in een melancholiek visioen. Naast hem op een bankje, in de linnenkast, steeds als hij rust zoekt, eenzaamheid en afstand.

Het tweetal komt terecht op een house party, waar Salvini stralend de vrouwen smeekt hem hun geheim te onthullen en ontdekt dat het zilveren schoentje van zijn aanbeden maanvrouw iedereen past. Gonella schreeuwt vergeefs om stilte. Hij waadt zich een pad door de ritmisch botsende menigte en brult dat hier niemand weet wat dansen is: “Dat is een borduurwerk, een hoge vlucht, een liefdesverklaring!!” Dan spuwt de menigte een eenzame figuur uit, in een ouderwetse baljapon. De stilte waar Gonella naar snakte valt, de jonge mensen staan stil, wijken terug en kijken toe. In de cirkel die zich aftekent strekt Gonella, voor het eerst, zijn hand uit naar zijn verloren liefde. Hij nodigt haar uit voor de wals der walsen: An der schönen blauen Donau. Even duurt het visioen, dan wervelt de open plek weer dicht, wordt Strauss overstemd door de house-dreun en verdwijnt Gonella tussen de ritmisch schokkende lijven. Maar misschien, misschien is hij nu gelukkig, nu hij zijn fantasie, zijn gevoel, zijn verleden vrij baan verleende, nu hij niet gehoorzaamde aan zijn twijfels en zijn cynisme en zich onvoorwaardelijk overgaf aan de liefde.

Intussen is Salvini, Fellini's naïeve ik, terug tussen de witte wieven op het open veld, onder de volle maan. Salvini heeft haast met zijn zoeken naar antwoorden op zijn vragen - 'er is niet veel tijd meer' - maar de maan verbood hem te proberen iets te begrijpen: “Wat zou je dan nog moeten?” Salvini zwijgt. Hij vertelt niets meer, toont niets meer, is niet langer bezorgd of bezwaard. Hij loopt naar de put, buigt rug en nek en richt zijn oor de diepte in. Hij is stil en luistert.