Boek over jeugdige hersenpatient ook op toneel een juweeltje

Voorstelling: Een gouden kind naar de gelijknamige roman van Jean- Paul Franssens door Stichting Amai. Regie: Gerard Luijkenaar; vormgeving: Jochem Royaards, Horst Rickels; speler: Stefan Jung. Gezien 13/4 Molenstraat 9a, Geldrop. Te zien t/m 30/4 aldaar.

Het ene kleine meesterwerk omtoveren tot een ander klein meesterwerk, van het ene juweel naar het andere: dat doet het theatergezelschap Amai met het boek Een gouden kind van Jean-Paul Franssens. Solo-acteur Stefan Jung beschikt over de kwaliteit de weidse, lege speelruimte van een vervallen textielfabriek in Geldrop helemaal met zijn woorden, zijn stem en zijn aanwezigheid te vullen. Hij doet het aangrijpende relaas van de vijftienjarige jongen uit het boek die een hersenoperatie moet ondergaan. De chirurg doet lakoniek: gewoon even een luikje maken en een kijkje nemen. Voor de jongen groeit de operatie uit tot een obsessie; zijn hoofd waar hij zoveel last van heeft, 'hoofdpijn', wordt het middelpunt van de wereld.

Soberheid is het sleutelwoord tot deze voorstelling, net zoals dat geldt voor de roman. Zoals Jean-Paul Franssens met ingetogen, geraffineerd- eenvoudige taal zijn onderwerp benadert, zo acteert Stefan Jung. Hij bestaat het zelfs om lange tijd tot aan zijn hoofd in de vloer te verdwijnen, zodat de toeschouwer niets anders kan doen dan kijken naar dat hoofd. De enige opvallende ingreep door de regie bestaat uit de zakken zand die af en toe met een doffe klap neerploffen: zo voelt hoofdpijn aan. Het goede aan boek en voorstelling is de opgetogen monterheid; geen moment wordt het verhaal larmoyant. Door zijn spirituele verschijning en zijn opgewekte stem houdt Stefan Jung de toeschouwer gevangen. Zijn waarneming is die van een onbevangene, hoezeer hij ook slachtoffer is van de chirurgische ingreep. Hij is tegelijkertijd object en subject. Deze paradox schept de noodzakelijke ruimte voor de toeschouwer om te geloven in de gedachtenstroom van de jongen. Als hij vertelt over zijn vader die tijdens de oorlog bunkers bouwt voor de Duitsers, is dat geen afrekening. Ook hierin klinkt dezelfde verbazing door als wanneer het gaat over de operatie. De jongen oordeelt niet, hij kijkt om zich heen. Dat hij zich geen oordeel aanmeet heeft alles van doen met zijn hoofdpijn. Het is of de pijn hem scheidt van de dingen om hem heen.

Achter het vermoedelijk autobiografische verhaal van Jean-Paul Franssens gaat een veel dieper tragiek schuil. Namelijk van het kind dat deel wil nemen aan de wereld maar daartoe niet in staat is. Eenvoudigweg omdat hij niet bij machte is tot veroordelen of te kiezen tussen goed en kwaad. Het lijkt of het kind intuitief beseft dat die tegenstellingen heel dicht bij elkaar liggen, veel dichter dan in de grote mensenwereld het geval is. Op die manier stijgen dit verhaal en deze voorstelling uit boven het incidentele. We kijken en luisteren naar een acteur die ons vertelt hoe onmogelijk het is om het leven te begrijpen, het te doorgronden. Aan het slot draait een speelgoedvliegtuigje rondje in de lege ruimte. De boordlichten branden. Dit vliegtuigje symboliseert het verlangen van de jongen: van de aarde te zijn ontstegen, vrij te zijn van de kwellende, teneerdrukkende pijn.

    • Kester Freriks