Zorg over afnemend onderzoek bedrijven

DEN HAAG, 21 APRIL. De positie van het Nederlandse bedrijfsleven op technologisch vlak is “zorgwekkend”. De inspanningen van ondernemingen voor onderzoek en ontwikkeling zijn in 1992 teruggelopen. Dat is de conclusie van een studie van het bureau Merit in opdracht van het ministerie van economische zaken.

In 1992 zijn de bestedingen voor onderzoek en ontwikkeling gedaald naar 1 procent van het bruto binnenlands produkt (BBP), tegen 1,1 procent in 1991. Economische Zaken verwacht dat deze tendens zich ook afgelopen jaar heeft voortgezet. Zeven jaar geleden gaf het bedrijfsleven nog 1,4 procent van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling uit.

De inzet voor onderzoek en ontwikkeling in andere landen is in vergelijking met Nederland hoger. Frankrijk (1,5 procent), de VS (1,9) en Japan (2,1) geven bovendien steeds meer geld hieraan uit. In Duitsland dalen de uitgaven voor technologie wel, maar dit land schaart zich met 1,75 procent naar verhouding nog bij de koplopers.

Volgens de onderzoekers heeft de teruggang te maken met de slechte toestand bij het electronica-concern Philips in de afgelopen jaren, maar ook de bezuinigingen van andere bedrijven op uitgaven voor onderzoek zijn verantwoordelijk voor de negatieve lijn.

De onderzoekers signaleren verder dat instellingen voor hoger beroepsonderwijs en universiteiten te weinig onderzoek doen dat direct van belang is voor de technologische vooruitgang. Ondanks de naar verhouding hoge overheidsuitgaven voor onderzoek bij deze instellingen profiteert het bedrijfsleven er nauwelijks van.

De onderzoekers achten het niet waarschijnlijk dat de zaken ten goede keren zonder een actieve rol van de overheid. Te denken valt in dit verband aan gunstige fiscale faciliteiten voor technologie-ontwikkeling.

Ook moet het hoger onderwijs meer aandacht besteden aan onderzoek dat voor het bedrijfsleven van belang is. Verder willen de onderzoekers dat de Nederlandse universiteiten het onderzoek en onderwijs in vakken, zoals schei-, wis- en natuurkunde stimuleren.

Dit alles suggereert dat Azië's snelst groeiende autocratie - China - op afzienbare termijn eveneens op het democratiseringspad wordt gedrongen. Zbigniew Brzezinski waagt dat echter te betwijfelen omdat het reusachtige China zich veel minder gemakkelijk in een bepaalde richting zou laten dwingen dan kleinere naties als Taiwan en Zuid-Korea. Volgens Barry Wain van The Asian Wall Street Journal ziet hij daarbij over het hoofd dat de politieke liberaliseringsprocessen in Azië tot nu toe voornamelijk het gevolg waren van interne dynamiek en veel minder van Westerse druk.