Zelfontbranding

Het is alweer enige tijd geleden dat een lezer in Diemen een geval van spontane ontbranding kwam melden. Na een dag intensief werken aan het interieur van zijn zojuist betrokken woning in de Amsterdamse buitenwijk waarbij volgens de eisen des tijds rijkelijk met lijnolieverf was gewerkt werd hij tegen het vallen van de nacht in de keuken vette rookwolken gewaar die uit het gootsteenkastje omhoogwalmden. Het gootsteenkastje was de plaats waar de Diemense lezer zijn poetslappen bewaarde en aan het eind van de dag waarop hij zo had staan verven had hij er de lappen in teruggestopt waarop hij zijn kwasten had leeggestreken. Die lappen waren aan het smeulen geraakt.

Niet het brandgevaar heeft Diemen daarna bezig gehouden, maar het volstrekte ongeloof van vrienden en verwanten die hij sindsdien op de lijnolierisico's wijst. Vandaar zijn brief aan de AW-redactie die, het is waar, tamelijk snel was terecht gekomen in het mapje irreproducible results. Een dossier vol unieke lezerservaringen variërend van ontploffende thermoskannen tot vreemde zonsondergangen, dreigend gebrom van de zee, verlies van eetlust bij griep, herhaald afslaan van de auto op spoorwegovergangen, tintelingen in de vingers bij het betreden van bepaalde typen ledikant, bijna bijna-dood-ervaringen, enz.

Er was dus enige reden voor gêne toen de Diemense ervaring in vrijwel identieke termen beschreven bleek in het lezenswaardige 'The walls around us - the thinking person's guide to how a house works' van David Owen (Villard Books, 1991) dat de AW-redactie ter recensie kreeg aangeboden maar dat al evenmin besproken was. Vuilnisbak, lappen met lijnolieverf, rookontwikkeling en de volunteer fire department die te laat kwam omdat de smeulende lappen al geblust waren. De vrijwillige brandweercommandant was niettemin blij geweest te kunnen vaststellen dat de mythe van de zelfontbrandende olielappen geen mythe was.

Ook TNO-Coatings in Delft kent het probleem. De meeste klassieke verfsoorten, lijnolieverven en de wat modernere alkydharsverven, kennen een zogeheten oxydatieve droging. Ze drogen onder zuurstofopname, een proces waarbij een geringe hoeveelheid warmte vrij komt die gewoonlijk makkelijk wordt afgevoerd maar in een enkel geval tot een gevaarlijke temperatuurstijging leidt. In een stapel met verse verf besmeurde poetsdoeken waarin nog voldoende zuurstof kan doordringen zijn de condities optimaal. Ook in Nederland is de afgelopen decennia enige keren een spontane ontbranding van verfresten gemeld. Bij alkydharsen is dat overigens nauwelijks mogelijk, en bij de moderne watergedragen lakken nog minder. Lijnolieverf en de niet gangbare urethaan-alkydhars bezitten het hoogste risico, aldus TNO.

De walmende lappen brachten een ander probleem in herinnering waarvoor tot nu toe geen lezer aandacht vroeg. Dat van de vonk die door de sigarettenaansteker wordt opgewekt vlak voordat daarmee een vuurtje wordt gegeven. Of de veelkrachtiger vonk die tot voor kort kon worden opgewekt met het apparaatje dat hier, bij wijze van eresaluut, staat afgebeeld. De gasfornuisaansteker of-hoe-heet-ie, het gidsfossiel voor het midden van de twintigste eeuw dat inmiddels is verdrongen door de piëzo-elektrische aansteker die altijd zo indringend is gedesigned.

Lang heeft ter redactie de vraag gesluimerd hoe nu precies die vonk tot stand kwam en zo langzamerhand is het zaak haast te maken met het antwoord. Ook de sigarettenaansteker wordt, zegt men, piëzo-elekrisch.

Ontstaat de vonk door wrijvingshitte of worden bij het 'knippen' stukjes materiaal weggeslagen die, zoals de lijnolielappen, spontaan ontbranden, dat is de vraag. De tweede mogelijkheid was als hypothese blijven hangen na een bezoek aan een fabriek voor bandrecorderbandjes van BASF in Ludwigshafen. Het magnetisch materiaal van veel BASF-bandjes bestaat uit chroomdioxyde dat uit uiterst fijn verdeeld chroom wordt bereid. Een BASF-er liet zien hoe fijn: het zwarte poeder dat hij uit een - tot dan gesloten - flesje liet lopen vatte spontaan vlam. Veel tot poeder vermalen metalen doen dat als ze in contact komen met zuurstof.

De woordvoerder van BIC in Roosendaal, importeur van goed verkopende Franse aanstekers, had nooit bij de Franse vonkvorming stilgestaan en ook nooit nagedacht over de vraag waaruit zijn vuursteentjes bestonden. Niet uit vuursteen, dat was wel duidelijk.

In Assen gaat het beter. Een technicus van Poppell (met Feudor onderdeel van Swedish Match) kent alle details en geeft ze ook. De Poppell-vuursteentjes bestaan, zoals alle andere steentjes, in hoofdzaak uit Mischmetall. Mischmetall is een legering van enkele zeldzame aardmetalen (vooral cerium en lanthaan) en bevat verder wat ijzer. Vandaar dat het ook wel ceriumijzer wordt genoemd. (Of, naar de Duitse uitvinder, Auermetaal). Poppell noemt ook nog zink en magnesium als bestanddelen. Men betrekt de steentjes van de fabriek Cricket bij Manaus in Brazilië, waar de zeldzame aarden in de grond zitten.

Als het 'vuurrad' (het gekartelde wieltje dat in Assen uit staaldraad wordt gemaakt) een stukje vuursteen wegslaat vat dat spontaan vlam waarbij het een helder licht uitstraalt. Dat is vooral te danken aan de twee lanthaniden die, noteren de naslagwerken, zoals alle zeldzame aardmetalen in fijnverdeelde toestand spontaan kunnen ontbranden. Ook magnesium doet dat.

Binnen vijf minuten had Assen wrijvingshitte als vonkoorzaak afgeschreven. Vuursteen-aanstekers moeten het van zuurstof hebben. Zo kwam de gedachte op te onderzoeken wat uitsluiting van zuurstof teweeg zou brengen. Omdat niet direct voldoende inert gas beschikbaar was werd overwogen een doorzichtige plastic zak met aardgas te vullen en daarin eens met de aansteker te knippen. Toen daarvan, onder druk van derden, ten slotte is afgezien is bekeken hoe de aansteker reageerde op het zuurstofarme milieu dat boven een brandend gasfornuis hangt. Dat was al verrassend genoeg. Na elk knipje met het vuurrad onstond een regen van prachtige vonkjes die seconden lang bleven hangen. Ver buiten de vlam was dat nooit zichtbaar, zelfs niet als alle licht gedofd was. Op de valreep is dus een nieuw raadsel ontstaan. De ad hoc hypothese is dat het milieu boven de vlam eerder heet dan zuurstofarm is en dat de hitte de grovere stukjes vuursteen, die gewoonlijk niet ontbranden, alsnog in vlam zet.

    • Karel Knip