Verouderen

Nu ook NRC Handelsblad, en zelfs in W&O van 14 april in de bijdrage van Ad Bergsma 'Kleine psychologie van de veroudering' wat aanrommelt met wat genoemd wordt “de belangrijkste theorieën op het terrein van de psychologie” is een protest op zijn plaats.

De gerontologie als wetenschap van de veroudering is theorie-arm. Lange tijd is het proto-theoretische concept van lichamelijke èn sociale èn psychische achteruitgang algemeen aanvaard geweest. De tongen kwamen pas los toen in de VS in 1961 Cumming en Henry de 'disengagementtheorie' publiceerden (Growing Old: The process of disengagement, New York, Basic Books, 1961). Deze visie op het ouder worden stoelde op twee verschijnselen, samen het disengagementsproces genoemd.

Het eerste was dat zowel het individu zich wat begint terug te trekken van de maatschappij, als ook dat de maatschappij dat op zijn beurt doet. En het tweede dat de inhoud van de blijvende activiteiten en rollen van betekenis verandert: in plaats van verplichtende komen onverplichte taken op de voorgrond.

Vooral deze tweede basis van de disengagementtheorie wordt vaak verzwegen. De disengagementstheorie maakte in de VS veel reactie los, resulterend in een tegen-theorie de zogenaamde activiteiten-theorie. Deze theorie vond in het puriteinse, op aktiviteiten georiënteerde Amerika veel aanhangers. Pogingen om deze theorie ook empirisch bevestigd te krijgen mislukten steeds, terwijl observaties van de werkelijkheid bij ouderen steeds opnieuw de disengagementstheorie in bovenste zin ondersteunden.

In tegenstelling tot de disengagementstheorie die gebaseerd is op longitudinale waarnemingen en studie van de belevingswereld bij ouderen (de Kansas-study), was de reactie van de activiteitentheorie-aanhangers zo fel, omdat men zich verheugde over de gedachte dat ouder worden geenszins aftakeling hoefde te betekenen. De aktiviteiten-thorie was dan ook een normatieve theorie. In het werk met ouderen moest die vorm bevestiging krijgen. Terwijl de disengagementstheorie daaraan toevoegt dat je daarbij moet aansluiten bij bestaande activiteiten. Er bestaat dus een duidelijke overlap tussen beide theorieën, zij zijn veel minder tegengesteld aan elkaar dan meestal gesuggereerd wordt.

Feitelijk tasten deze twee theorieën de oorspronkelijke achteruitgangstheorie niet wezenlijk aan. Het zijn meer sociaalwetenschappelijke interpretaties van het ouderen-gedrag en als zodanig aanvullingen op het tot dan alles overheersende biologische achteruitgangsdenken. Dat laatste werd pas definitief van zijn sokkel gehaald, toen men eind zestiger jaren begon te beseffen dat slechts longitudinaal onderzoek inzichten kan verschaffen in de veranderingen tijdens de levensloop. Voor die tijd had men verschillen in prestaties tussen oud en jong daarvoor aangezien.

    • Ku Nijmegen
    • J. Munnichs