Toonkunst

Een kraai als dirigent. Hij draagt zijn zwarte pak met verve en slaat een beetje traag de maat. Maar na een tijdje valt hij uit zijn rol. Hij schreeuwt zich schor en laat zich in een dwarse glijvlucht gaan.

Een heuvel dient het bos tot podium. Van links naar rechts, van voor naar achteren heeft elke boom een vaste plaats. Je ziet de eerste rij van top tot teen, dan trapsgewijs alleen een schouder of een half gezicht, een hoge kruin.

De heuvel zelf heeft ook een vaste plaats: bij Mook. Er is een heide in de buurt, wat weiland en een akker wacht op mais. En onverharde weggetjes, de grens met Duitsland, méér heuvels en meer bos, een vrolijk waterloopje en een dasseburcht, een havikshorst.

De kou heeft lelijk aangehouden deze keer. Het heeft gestormd, het heeft geregend. Het vroor nog aan de grond, de laagte naar de Maas zat 's morgens vol met mist. Maar elke dag was toch een dag, als bij een zwangerschap, wat moet gebeuren moet.

De ene boom zet in: het eerste groen. De tweede valt hem bij, de derde enzovoort. Ze zwellen aan en straks vloeit alles samen tot fortissimo, het zomerbos. Maar nu nog niet. Nu elke boom afzonderlijk, zijn eigen tijd, zijn eigen toon.

In dit koor van bomen klinkt elke ochtend krachtiger een koor van vogeltjes.