Personeel banken mogelijk schuldig in zaak-Schneider

BONN, 21 APRIL. Het “valt niet uit te sluiten” dat personeel van de Duitse banken die de voortvluchtige onroerend-goedmagnaat Jürgen Schneider circa 6,5 miljard mark aan kredieten gaven, zich schuldig hebben gemaakt aan bedrog of aan bedrog hebben meegewerkt. Dit heeft het openbaar ministerie in Frankfurt, waar enkele strafklachten tegen de sinds het paasweekeinde verdwenen Schneider in behandeling zijn, gisteren verklaard.

De Deutsche Bank, 's lands grootste bank en met een vordering van omstreeks 1,5 miljard ook Schneiders grootste schuldeiser, zegt “overtuigd te zijn dat aan de kant van de banken niets strafbaars zal blijken”. Het materiaal dat tot nu toe tegen Schneider beschikbaar is laat nog geen arrestatiebevel toe en dat maakt het ook onmogelijk om aan Interpol méér te vragen dan medewerking bij het vaststellen van zijn verblijfsplaats, aldus een officier van justitie in Frankfurt. Het kan zelfs nog twee weken duren tot een arrestatiebevel wordt uitgevaardigd. Waar Schneider en zijn vrouw en kinderen zijn, is nog steeds onduidelijk. Na een bericht in het blad Die Welt van gisteren dat een getuige hem in West-Florida had gezien, bleek Schneider daar in elk geval niet (meer) te vinden.

Intussen heeft ook de exploitatiemaatschappij van de “Mädler Passage” in Leipzig, een van Schneiders grote projecten, een strafklacht ingediend. Daarin wordt de Schneiders verweten dat zij de huur voor deze passage (3 miljoen mark per jaar) niet naar de exploitatiemaatschappij maar naar andere, vermoedelijk hun eigen, bankrekeningen lieten overmaken.

Het Treuhand-instituut, dat de vroegere Oostduitse staatsbedrijven privatiseert, mag zich ook tot Schneiders slachtoffers rekenen. Het Treuhand-filiaal in Leipzig blijkt Schneider in 1991 een bouwmaatschappij te hebben verkocht met een gespreide betalingsregeling over vijf jaar en zonder voor die termijn een beperking van Schneiders recht van eigendom vast te leggen. Daardoor is dat filiaal bij een faillissement slechts een concurrente schuldeiser en geen preferente (zoals de banken) en zal daardoor vermoedelijk naar een vordering van 53 miljoen kunnen fluiten.

Want de concurrente schuldeisers, daaronder zeer vele leveranciers en kleine bouwbedrijven, hoeven waarschijnlijk niet meer op geld uit de Schneider-boedel te rekenen. Dat blijkt uit een notitie die minister Rexrodt (FDP, economische zaken) gisteren aan het Duitse kabinet heeft voorgelegd. Daarin heet het dat de banken wegens de sterk gedaalde waarde van Schneiders in onderpand gegeven onroerend goed (of wegens de geflatteerde taxaties die hij daarvan zelf liet maken) op hun preferente vorderingen van 6,5 miljard al zo'n 1,7 miljard gaan verliezen. “Het overwegende deel van de vorderingen van bouwbedrijven en leveranciers zal niet kunnen worden voldaan”, waarschuwt Rexrodt, die de banken-kredietgevers van een “lichtzinnige” omgang met Schneider beschuldigt en ook het verwijt maakt dat zij de afgelopen jaren kennelijk de periodieke overzichten van de Bundesbank over bancaire kredieten boven 3 miljoen mark (de zogeheten Evidenzliste) niet goed genoeg hebben bestudeerd.

    • J.M. Bik