Onderzoeker over politie en 'agenda's'; 'Overheid mist greep op leger rechercheurs'

ROTTERDAM, 21 APRIL. Tussen de Nederlandse politie, bijzondere opsporingsdiensten en particuliere recherchebureau's is een “informele samenwerking” gegroeid waarop de overheid nauwelijks greep heeft. De partners in deze “vervlechting” van officieel en particulier recherchewerk wisselen inlichtingen uit met banken, sociale diensten, kredietinstellingen en verzekeringsmaatschappijen.

Dat zegt de maatschappijhistoricus dr. A.B. Hoogenboom (36), die deze week in Leiden promoveerde op zijn proefschrift Het Politiecomplex. Hoogenboom sprak met politierechercheurs, ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en particuliere rechercheurs. Hoogenboom is verbonden aan de vakgroep strafrecht en criminologie van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam.

Het proefschrift van Hoogenboom bevestigt eerdere berichten dat er een 'old boys' netwerk bestaat tussen werknemers van particuliere recherchebureau's - vaak ex-politieagenten - en hun 'collega's' bij de politie.

Van de 25 ondervraagde particuliere recherchebureau's erkenden zes dat zij op freelance basis gebruik maakten van politiemensen in actieve dienst. In strijd met de regels kopen particuliere onderzoekers regelmatig inlichtingen van de politie, over bijvoorbeeld criminele antecedenten. Momenteel loopt een strafzaak tegen een aantal agenten uit Nieuwegein die inlichtingen over antecedenten van burgers verkochten aan een particulier recherchebureau.

Van formele controle op deze informele samenwerking is nauwelijks sprake. Niemand bij de overheid weet wat de inlichtingendiensten van recherche, verzekeringsmaatschappijen, particuliere recherchebureau's en bijzondere opsporingsdiensten, zoals de Fiscale Opsporings- en inlichtingendienst, precies doen. Hoogenboom noteerde uit de mond van een rechercheur: “Ik weet alles, mijn baas weet minder dan ik, zijn baas weet nog minder en de korpschef weet helemaal niks.”

Dat doet denken aan de IRT-affaire. Het is de vraag of de korpschefs en de commissarissen ooit precies hebben geweten wat het interregionaal rechercheteam precies deed.

“De IRT-affaire is letterlijk een enorme uitvergroting van de problematiek die ik in mijn boek beschrijf. Gebrek aan controle en onderling wantrouwen. Het hele probleem rond de opsporingsdiensten met inkijkoperaties en wat ik heb onderzocht, de informele informatie uitwisseling tussen de recherchediensten en het bedrijfsleven, heeft alles te maken met die beleidsvrijheid.”

Minister Hirsch Ballin wil ter voorkoming van een nieuwe IRT-affaire een functionaris die de communicatie tussen het openbaar ministerie en het ministerie van justitie gaat verbeteren.

“In beleidskringen heerst het idee dat je met reorganisaties, wet- en regelgeving en ethische codes aan de uitwassen van die beleidsvrijheid wat kan doen. Maar controle op informatievergaring is bijna per definitie onmogelijk. Uiteindelijk staat of valt alles met de integriteit van de mensen die dat werk dag in dag uit doen. Er zijn geen juridisch organisatorische mogelijkheden om die controle uit te voeren. De rechtsstaat is afhankelijk van de kwaliteit van de mensen, niet van de regels.”

Wantrouwen tegen bazen geeft een sterke solidariteit, op zichzelf is dat toch een goed teken?

“Er is nog steeds een enorm wij-gevoel bij de politie. Als dat er niet zou zijn zouden er veel meer processen over corruptie zijn. Dat is de grote kracht van de politie. Maar door de private constructies van inlichtingendiensten en beveiligingsbedrijven zie je een verwatering van die solidariteit. Niet iedere rechercheur is nog primair solidair met 'de politie'. Sommigen blijken meer solidair met collega's in andere diensten die hetzelfde werk doen of hebben gedaan.”

Waar leidt die verwatering van de solidariteit toe?

“Kijk eens naar al die zaken van de laatste tijd. Rechter-commissarissen die zeggen: 'wij hebben het idee dat we niet volledig kunnen vertrouwen op de politie'. Het sjoemelen met processen verbaal. De ontbinding van het pseudokoopteam in Amsterdam, voormalige Utrechtse politiemensen die in informatie handelden. Alles bij elkaar moet je constateren dat het zicht op het schemergebied verloren dreigt te raken.”

Worden criminele inlichtingen alleen verzameld om de georganiseerde misdaad te bestrijden?

“Er is ook sprake van verborgen agenda's. In het politiejargon bestaat 'de zakboekjes cultuur'. Individuele rechercheurs houden bijvoorbeeld informanten voor zichzelf. Ze delen niet alles, omdat informatie hun positie binnen de organisatie bepaalt. Informatie is hun kapitaal. Dat kunnen ze ook gebruiken om hun werk zo prettig mogelijk in te delen. Ze willen niet te veel worden gestuurd. Je kan als het je uitkomt een informant naar voren schuiven om een onderzoek waar je zelf interesse in hebt te beginnen. Zo heeft iedereen eigen agenda's.

“Boven dat individuele niveau proberen mensen, zoals in iedere bureaucratie, hun eigen organisatie-onderdeel qua budget, personele bezetting, imago en dergelijke binnen de organisatie zo sterk mogelijk te maken. Tenslotte, als de politie onderling gaat samenwerken of gaat samenwerken met bijzondere opsporingsdiensten, dan worden al die barrières nog eens een keer versterkt, omdat op een nog hoger niveau diezelfde competentieconflicten ontstaan. Dan spelen vragen mee als wie is de leider van het onderzoek, waar worden we gehuisvest, hoeveel geld gaat er naartoe en hoeveel verdienen we. Daar kan de samenwerking op stuklopen.”

Hoe heeft dit zo kunnen ontwikkelen?

“Er is de afgelopen tien jaar door de politiek een vijandbeeld geschapen van de georganiseerde misdaad. Het recht wordt in toenemende mate gezien als instrument om het doel, de bestrijding van de georganiseerde misdaad, te bereiken. Maar terwijl de politiek roept: 'de georganiseerde misdaad is een ernstige bedreiging voor ons' weet niemand in Nederland iets over de organisatiegraad van de georganiseerde misdaad, de aantallen groepen en dergelijke. Het antwoord op de vraag 'waartoe dient het recht?' was vroeger: in eerste instantie, ter bescherming van de burgers tegen de rechtsuitoefening van de staat”.

    • Hans Moll