Met rijdende telploeg twee op zoek naar edelherten; Ze komen pas uit de dekking als wij voorbij zijn

Als het goed is lopen er nu, vóór de kalveren worden gezet, ongeveer 840 edelherten in de onomrasterde delen van de Veluwe.

Maar is het goed? Ruim tweehonderd in bosgroen gestoken heren en enkele dito dames hebben de afgelopen weken avondenlang zitten klappertanden op gammele houten stellages en rondgehotst over brakke zandwegen om het antwoord op deze vraag te vinden. Niet dat er over de omvang van de Nederlandse roodwildpopulatie zo bitter weinig bekend is: vorig jaar is er net zo intensief geteld, en de twintig jaar daaraan voorafgaand ook. Verder hebben de hindes de prettige gewoonte vrijwel allemaal één kalf te zetten - een enkele twee, een enkele geen. Ook is precies bekend hoeveel edelherten sinds de vorige telling met vergunning zijn geschoten, hoeveel stropers met hoeveel herten op heterdaad danwel bij de terugrit naar het Arnhemse Spijkerkwartier zijn betrapt, en hoeveel edelherten dood zijn aangetroffen in het terrein, asfalt en wegbermen meegerekend. Er zijn maar drie kleine categorieën van onbekende omvang: ongemerkt gestroopt, doodgereden en snel in de kofferbak gestopt, en gewoon bezweken maar niet gevonden. Kortom: er wordt eigenlijk geteld om te zien of er vorig jaar goed geteld is.

In de kantine van Radio Kootwijk roezemoezen zeventig jachtopzieners, boswachters en vrijwilligers zolang het nog kan. Straks, in het terrein, moeten ze juist vreselijk stil zijn, en nu ook al even: boswachter Herman Linden van Staatsbosbeheer verheft zijn stem, leest voor hoe de vijfentwintig vaste en vier rijdende telploegen zijn samengesteld en dankt de koffiedames van PTT Telecom. “En reeën nemen we mee.”

Dat laatste is bijzaak, want er zijn ook speciale reeëntellingen. Vanavond is de leiding in handen van de Vereniging Wildbeheer Veluwe (VWV), die zich met de Veluwse edelherten en wilde zwijnen bezighoudt, in dier voege dat voor de zwijnen ook weer aparte telavonden worden georganiseerd. Als we vanavond nul herten missen en geen hert twee keer of vaker turven, en als de prognose juist is, zullen we 197 herten tellen in het leefgebied Midden Veluwe dat zich uitstrekt tussen Stroe, Otterlo, Ugchelen en Woeste Hoeve. Vooral aan die eerste voorwaarde zal zeker niet worden voldaan, vandaar dat in ieder gebied twee keer wordt geteld. Ook is er altijd nog een reserve-telavond voor het geval dat de eerste twee tellingen teveel van de prognose afwijken.

Tot 1992 werden de grofwildtellingen op de Veluwe georganiseerd door het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij, maar al deregulerend schoof LNV de taak door naar de VWV. Tweede secretaris en roodwildtellingencoördinator ing. Gerrit Jan Spek is daarmee een onbezoldigde semi-ambtenaar geworden: “De minister blijft de afschotvergunningen afgeven. Maar eerst maken wij voorstellen voor het afschot op basis van de tellingsgegevens, en dan uitgewerkt voor de vijf leefgebieden op de Veluwe. We houden de afschotvoorstellen tegen het licht van de notitie Kwantitatief Roodwildbeheer. Daarna wordt het voorstel doorgesluisd naar het Hertenberaad, en het Hertenberaad adviseert de minister.”

Tegen die achtergrond hoeft het niet te verbazen dat LNV een projectbijdrage heeft toegekend en dat binnenkort een evaluatie en een heroverweging te verwachten zijn.

De tellingen zijn nodig, legt Spek uit, omdat de Veluwe zoveel functies tegelijk heeft te vervullen. “Als je alleen op de natuurlijke draagkracht let, zou er veel meer wild kunnen leven. Stapelvoedsel zoals bochtige smeele is er genoeg, en ook bosbes en struikheide. Maar ze eten ook knoppen en blad. Daarvan is hier en daar te weinig, dus bij een hogere stand krijgt je ruimteconcurrentie en een aantal slechtere exemplaren. Verder hebben ze boombast nodig, vooral in deze tijd: ze moeten nu overschakelen van wintervoedsel naar eiwitrijk celwandarm voedsel. Dat geeft maag-darmproblemen die ze alleen kunnen oplossen door te herkauwen, op boombast bijvoorbeeld. Ondertanden tegen een boom en: strip!”

De vraag is dus of een terreineigenaar liever veel edelherten of liever veel bomen heeft. En ook: weinig herten maar dan allemaal groot en sterk, of veel herten inclusief een categorie kansarme bochtige-smeele-eters? Spek: “Bij Natuurmonumenten is de houtproduktie ondergeschikt. Dat geeft de mogelijkheid voor een wat hogere stand dan wanneer je meer houtproduktietechnisch bezig bent zoals Staatsbosbeheer.”

Genoeg theorie. SBB-jachtopzieners Jan Boterman en Casper van den Bos vormen rijdende telploeg twee: Boterman rijdt, Van den Bos turft, en ik zit in de achterbak naast een kist geweien op een kussen van Botermans bankstel. Gevolgd door de auto's van vier vaste telploegen rijden we naar het oostelijk deel van het Staatswildreservaat, tussen Hoenderloo en Beekbergen. Met tussenruimten blijft er steeds een vaste telploeg achter, na laatste instructies van Boterman: hij geeft aan waar de hoogzit precies te vinden is en wat er ongeveer valt te verwachten aan herten. Dat weet hij vrij precies, want hij heeft vanochtend vast voorgeteld en kwam op 22 stuks. Een kwartier na vertrek zijn we alleen en begint het rijdende tellen. We hebben twee uur voordat het donker wordt, en tientallen kilometers te gaan: door kuilen, door waterplassen en over omgewaaide bomen, want dit is het wilde oosten van Nederland.

Het verschil tussen een stuk wild en een boomstronk is niet altijd in één oogopslag duidelijk, en zeker niet als je je met een kilometer of twintig per uur verplaatst. Maar Boterman en Van den Bos hebben beiden een wildvaste blik ontwikkeld. “Zit niks op”, zegt eerstgenoemde terwijl we langs een bosinwaarts gelegen open plek kachelen. “Anders zag je ze wel staan.” Zoals overal, hebben de herten in dit sub-gebied een aantal favoriete plaatsen, en daar houden de vier vaste telploegen de wacht; wij proberen vast te stellen wat daartussen rondloopt. “Het probleem is dat ze soms wat laat uit de dekking komen”, verduidelijkt Boterman, “als wij daar al voorbij zijn gekomen.” Dat lijkt het geval, maar door de Landcruiser kan dat niet komen. Van den Bos: “In een auto geef je geen verwaaiing af, en het geluid herkennen ze na drie keer: oh, dat is dezelfde.”

In plaats van herten zien we wel een paar reeën, waaronder een tweeling van vorig jaar. Gewoon twee reeën, zou je als leek zeggen, maar Van den Bos ziet zo dat ze dezelfde leeftijd hebben en, aan de gelijkvormige geweien, dat het broers zijn. Boterman, over de herten die we niet zien: “In het stuk waar we net reden horen er zes of zeven te zitten, en daar verderop, in de buurt van het kampeerterrein, nog een hinde met een kalf. Maar ja, je moet ze zien, dat is het.”

Een lichte ergernis begint de gelederen van rijdende telploeg twee te teisteren als we onze zesde ree in het voorbijgaan op een zijpad zien. We rijden een stukje terug, richten verrekijkers, stellen vast dat de ree al in de begroeiing is verdwenen - en dat veel verder op hetzelfde pad een paar edelherten naar ons staan te kijken.

Boterman, turend: “Het is kaalwild” - ofwel hindes, smaldieren (tweejarige hindes) en kalveren van vorig jaar.

Van de Bos, ook turend: “Drie zie ik er zeker. Vier. Vijf.”

- “Ze zijn niet echt oud. Twee hindes, twee kalveren.”

- “Aan de rechterkant staan die.”

- “Ik dacht dat er nog een hinde bij stond Casper.”

- “Ik dacht eerst ook van drie hindes. Ik heb er zeker vijf geteld.”

- “Zes.”

- “Het gaat erom wat het is. Die erbij kwam stappen was een hinde, en toen dacht ik al van: hé, twee hindes.”

- “Ik dacht drie hindes, twee kalveren en een smaldier. Want hier benne twee kalveren weggeschoven.”

- “Oh ja.”

- “Dat zou goed kunnen.”

- “Daar kan je het gerust op houden Jan.”

Op 12 april werden op de Midden Veluwe 47 volwassen geweidragers, 51 hindes en 61 een- en tweejarige edelherten geteld; 15 dieren konden niet worden geïdentificeerd. Op 14 april bedroeg de score 35, 24, 37 en 11.

    • Michiel Hegener