Keuze voor Amerikaanse model van arbeidsmarktbeleid; IMF kritisch over West-Europa

WASHINGTON, 21 APRIL. Het IMF besteedt deze keer in de World Economic Outlook een apart hoofdstuk aan langdurige werkloosheid in de industrielanden. Daarbij kiest het IMF openlijk voor het 'Amerikaanse model', waarin grotere flexibiliteit in de arbeidsmarkt leidt tot veel lagere werkloosheidscijfers dan in West-Europa. Het totaal aantal banen in Europa is de afgelopen twintig jaar min of meer stabiel gebleven en voorzover zich banengroei voordeed, was dat vooral in de (semi-)overheidssector.

In de VS is het aantal banen sinds 1960 verdubbeld, vrijwel uitsluitend in de particuliere sector. De reële lonen hebben zich in de VS veel sterker aangepast aan veranderende omstandigheden op de arbeidsmarkt dan in Europa.

Het IMF laat zich in harde termen uit over de pretenties van sociale rechtvaardigheid in West-Europa. “Het is zeer de vraag of het huidige Europese arbeidsmarktbeleid leidt tot minder grote inkomensverschillen”, aldus het IMF. “Het risico bestaat dat de vrees voor inkomensgevolgen er toe leidt dat Europese regeringen niet de verregaande stappen nemen die nodig zijn om de wortels van de werkloosheid aan te pakken.” Volgens het IMF moet veel duidelijker worden uitgelegd dat het huidige Europese arbeidsmarktbeleid onrechtvaardig is en dat de bestaande regelingen degenen beschermen die een baan hebben. De hoge structurele werkloosheid heeft enorme sociale en economische kosten. “Het is de hoogste tijd hierover een open debat te voeren.”

Als voorbeelden voor het gebrek aan flexibiliteit van de Europese arbeidsmarkten noemt het IMF de geringe netto-inkomensverschillen, de 'armoedeval' (het geringe verschil tussen uitkeringen en inkomen uit werk), het minimumjeugdloon en het wettelijk minimumloon. Hoge arbeidskosten, veroorzaakt door starre CAO-onderhandelingen, algemeen verbindend verklaring van CAO's en door hoge sociale lasten op arbeid, vormen de belangrijkste oorzaak voor de structurele werkloosheid in Europa. Volgens het IMF moeten loonverschillen de verschillen in opleiding en produktiviteit beter weerspiegelen. “Rechtvaardigheid is meer gediend als (slecht opgeleide, kwetsbare) werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt aan het werk kunnen tegen een wat lager loon”, stelt het IMF vast. Ter aanvulling kan de overheid zo nodig gerichte inkomenssteun verstrekken. Dat is beter dan de werking van de arbeidsmarkt te verstoren.

Het IMF waarschuwt om verlaging van de sociale premies ten behoeve van meer werkgelegenheid te betalen uit de begroting. Dit gebeurt onder meer in Nederland nu het kabinet onlangs heeft besloten tot een rijksbijdrage aan het WW-fonds ter vermindering van de werkgeverslasten. Dit heeft volgens het IMF geen enkele zin. Het is beter om de overheidsuitgaven te verlagen en om de toegang tot vaak genereuze uitkeringen aan te pakken. Het IMF wijst eveneens arbeidstijdverkorting of deeltijdbanen van de hand als oplossing voor de structurele werkloosheid. Hierbij gaat het om afwegingen tussen vrije tijd en inkomen, niet om versterking van de economie. Ook protectionisme als bescherming van banen wijst het IMF van de hand, aangezien dit op de langere termijn welvaartsgroei en daarmee banengroei ondermijnt.

“De wereldeconomie zal dit jaar en daarna een voortgaand herstel te zien geven”, zei Michael Mussa, de topeconoom van het IMF gisteren in een toelichting. De gemiddelde economische groei in de industrielanden zal in 1994 volgens de World Economic Outlook uitkomen op 2,4 procent, een verdubbeling vergeleken met vorig jaar. Voor 1995 verwacht het IMF een verdere stijging.

De Amerikaanse groei valt aanzienlijk hoger uit dan verwacht, de Japanse economie blijkt dit jaar veel zwakker dan eerder voorspeld. In West-Europa heeft de recessie zijn dieptepunt bereikt en heeft het herstel ingezet. Maar de werkloosheid zal in 1994 verder toenemen en volgend jaar, ondanks het herstel van de groei, niet verbeteren. Het IMF wijt dit aan de slechte werking van de Europese arbeidsmarkten.

Evenals vorig jaar vertonen de ontwikkelingslanden in 1994 een aanzienlijk hogere groei dan de industrielanden. Het IMF schat de gemiddelde groei op 5,5 tot 6 procent. De groei is vooral sterk in landen die economische hervormingen hebben doorgevoerd. In China (voor het tweede achtereenvolgende jaar meer dan tien procent groei) dreigt oververhitting. Ook andere landen in Zuid-en Zuidoost Azië, waaronder India, en Latijnsamerikaanse landen vertonen een sterke groei. Daarentegen blijft Afrika verder wegzakken in economische misère en stagneert het Midden-Oosten als gevolg van de lage olieprijzen.

Volgens het IMF dreigt de Amerikaanse economie de grenzen van zijn produktiecapaciteit te bereiken. Dit vergroot de kans op schaarste en oplopende inflatie. De recente stappen van de Federal Reserve Board, het stelsel van Amerikaanse banken, om de korte rente te verhogen, zijn volgens Michael Mussa dan ook “verstandige maatregelen”. Hij zei te verwachten dat de Fed tot verdere renteverhogingen zal besluiten om het monetaire beleid meer in overeenstemming te brengen met de kracht van de Amerikaanse groei.

“De Amerikaanse economie is nu in zijn vierde jaar van herstel en de korte rente is nog steeds tamelijk laag”, aldus Mussa. Een korte rente tussen de vier en vijf procent is volgens hem wenselijk. Na de jongste renteverhoging van deze week bedraagt de korte rente 3,75 procent. Wat betreft de lange kapitaalmarktrente in de VS noemde Mussa een percentage boven de zeven procent “een over-reactie” van de financiële markten. “De lange rente zal waarschijnlijk niet veel hoger worden dan deze nu al is”, zei hij.

Voor West-Europa verwacht het IMF een geleidelijke rentedaling. De Bundesbank, die het niveau van de korte rente in Europa bepaalt, zal naar verwachting zijn beleid van stapsgewijze rentedaling voortzetten. Ook de lange rente zal volgens Mussa in Europa, ondanks de recente stijging, opnieuw een dalende lijn inzetten.