Kappen voor moeder natuur; Kaalslag en graafgeweld bij Staatsbosbeheer

Het Drents-Friese Wold lijkt ten prooi aan ongekende vernielzucht. Overal liggen omgezaagde stammen. Dennenbos gaat voor de bijl, vruchtbare aarde wordt afgevoerd. Terug naar de woeste gronden.

Op het Aekingerzand bij Appelscha is de aarde nog woest en ledig. De wind jaagt over het kale stuifzand, zo ver het oog reikt is geen mens te zien. Maar zijn sporen zijn alom aanwezig, want sinds kort lijken de beheerders van het natuurreservaat in de greep van een ongekende vernielzucht. Rondom het ven en in het omringende Drents-Friese Wold heeft Staatsbosbeheer de afgelopen winter tientallen hectaren sparren en lariksen gekapt. Zelfs een fraaie oude beukenlaan is voor de bijl gegaan. Overal liggen nu stronken, oude stammen en grote takkenbossen. Voor de trouwe wandelaar, die zelf nog geen bloemetje mag plukken en de ravage met stijgende verbazing gadeslaat, is het een troostrijke gedachte dat deze rigoureuze aanpak voortvloeit uit een weloverwogen natuurontwikkelingsplan.

Intact beekdal

Volgens stafmedewerker Bert Takman van Staatsbosbeheer regio Drenthe-zuid biedt het Aekingerzand unieke kansen voor natuurontwikkeling. Hier ontspringt de Vledder Aa, die richting Meppel stroomt. Veel Drentse beken zijn in de loop van deze eeuw vergraven, de beekdalen zijn onherkenbaar van karakter veranderd. Als in de bovenloop intensieve landbouw wordt bedreven, zoals bijvoorbeeld langs de Drentse Aa, dan spoelen meststoffen en bestrijdingsmiddelen gemakkelijk uit, wat ten koste gaat van natuurgebieden in de benedenloop. Om een echt, intact beekdalsysteem in ere te houden moet je als natuurbeheerder de bovenloop in handen hebben. Het mooie aan de Vledder Aa is dat het oorsprongsgebied en de bovenloop daar nog uit bossen en natuurgebied bestaan. “Daarom willen we in dit oorsprongsgebied de natuurlijke schrale, voedselarme situatie zo goed mogelijk herstellen”, aldus Takman.

Daarom worden de ontginningsactiviteiten in het gebied grotendeels teruggedraaid. Er worden heel wat sloten gedempt om de verdroging tegen te gaan. Het waterschap De Stellingwerven heeft gezorgd dat vervuild landbouwwater voortaan wordt omgeleid in plaats van dwars door het natuurgebied. Van 75 hectare voormalige landbouwgrond op het Aekingerzand en het aangrenzende Drentse Broek en Valkenbroek wordt de vruchtbare toplaag, waarop jarenlang mest is uitgereden, verwijderd, zodat weer een voedselarme uitgangssituatie ontstaat. De grond wordt tot 35 centimeter diepte afgegraven, bij elkaar een berg van zo'n 240- tot 250.000 kubieke meter grond, heel wat vrachtwagens vol. Verder wordt in totaal zo'n 200 hectare aangeplant bos gekapt om weer plaats te maken voor heide en stuifzand. De gegraven beekloop van de Vledder Aa wordt waar mogelijk gedempt, zodat het water weer net zoals vroeger, toen dit nog woeste gronden waren, zelf zijn weg kan zoeken over de laagste delen van het terrein en weer een slenk gaat vormen.

Het klinkt als een miljoenenproject en dat zou het eigenlijk ook moeten zijn. Uitgedrukt in 'werkvolume' is met de opknapbeurt van het Aekingerzand en omstreken zo'n 2 miljoen gulden gemoeid, maar omdat men de afgegraven teelaarde uit het natuurgebied als schone grond kan verkopen, evenals de houtoogst, blijven de werkelijke kosten voor Staatsbosbeheer beperkt tot ƒ 200.000.

De plannen passen in de ideeën van de Provincie Drenthe over natuurontwikkeling langs de Vledder Aa. Het is de bedoeling dat het Aekingerzand straks - na het kappen van een strook naaldbos en het uitkopen van een stuk landbouwgrond - aansluit op andere natuurgebieden, zoals het verder stroomafwaarts langs de Vledder Aa gelegen Doldersummerveld van de Stichting het Drentse Landschap en het Wapserveld van Natuurmonumenten. Zo raakt het landschap wat minder versnipperd. De filosofie hierachter is dat men van soortenbeheer wil overschakelen op een minder intensief en liefst grootschalig procesbeheer.

Stuiven

Inmiddels is rond het Aekingerzand, op de rand van het beekdal, al heel wat bos gekapt. Dat gebeurt om het stuifzand - dat in de luwte van het bos snel dichtgroeit - weer in beweging te krijgen. De komende jaren gaat hier elk jaar 20 hectare bos voor de bijl, pas rond het jaar 2000 als de plannen klaar zijn keert de rust weer. Dankzij deze extra bemoeienis nu moet het stuifzandgebied zichzelf straks makkelijker zonder menselijk ingrijpen in stand kunnen houden.

Stuifzandcomplexen vormen, ook internationaal bezien, een zeldzaam landschapstype met allerlei bijzondere mossen en korstmossen, heiden en vennen.

Het ven in het Aekingerzand kreeg twee jaar geleden een grote schoonmaakbeurt. Het was flink vervuild door een grote meeuwenkolonie en helemaal dichtgegroeid met pitrus. Daarom werd het leeggepompt en een hele laag vervuilde blubber werd afgevoerd. “Daarna volgde een droge zomer. Het ven lag zes maanden droog en iedereen lachte ons uit,” vertelt districtshoofd ing. Herman Brink van Staatsbosbeheer. 'Maar nu staat het weer vol en loopt zelfs over.” Het ven wordt deels gevoed door naar verhouding kalkrijke kwelstroompjes uit de omgeving en dat biedt een zekere bescherming tegen verzuring. De meeuwenkolonie was inmiddels al verdwenen, nadat tien tot vijftien jaar lang consequent de eieren waren geraapt. De schoonmaakbeurt ging ten koste van een aantal bijzondere vogelsoorten die het ven inmiddels hadden ontdekt, waaronder de dodaars en de geoorde fuut, en ook salamanders en padden werden wreed uit hun winterslaap gewekt. 'Maar we wilden een schoon, voedselarm ven en dat gaat niet vanzelf', aldus Brink.

In natte tijden loopt het ven over in uitgestoven laagten in het gebied. Hoewel er in de omgeving wel intensieve veehouderij voorkomt, is de verzuring naar verhouding gering. De kleine wolfsklauw, die van schrale voedselarme gronden houdt en vrijwel overal uit Nederland verdwenen is, staat er hier nog redelijk vitaal bij.

Vernatting

Het aangrenzende Aekingerbroek moet eveneens op de schop. Oorspronkelijk bestond het Aekingerbroek uit bloemrijk hooiland, maar de laatste decennia was daar weinig meer van over en bestond de grasmat uit nog maar enkele soorten. “Vóór 1950 was het hier, getuige de naam 'broek', een stuk natter dan nu”, vertelt Brink. “Dit gebied werd al heel vroeg, eerder dan de heide zelf, door de boeren ontgonnen en als weiland in gebruik genomen. Hier ontspringt namelijk de beek en het opborrelende kwelwater bracht voedingsstoffen op de velden zodat de boeren ze niet hoefden te bemesten.”

Door het graven van de vele ontginningssloten en door het verbreden en verdiepen van de Vledder Aa is de waterstand sinds de jaren zestig flink gedaald. Ook de drinkwaterwinning Appelscha, die hier sinds 1960 zit en een concessie heeft om zeven miljoen kuub per jaar op te pompen, draagt bij tot de verdroging.

Om het gebied weer nat en voedselarm te maken is sinds 1989 een flink aantal sloten in de omgeving gedempt. De waterwinning valt niet zomaar te sluiten, maar er wordt wel naar alternatieve winningsmogelijkheden gezocht. Brink: “De waterwinning is hier indertijd gekomen omdat je hier zulk schoon grondwater hebt. Het is naar verhouding een kleine winning, maar omdat je hier rond Appelscha nogal zandige grond hebt, is het effect op de grondwaterdaling relatief groot. Men is er indertijd van uitgegaan dat de winning weinig effect zou hebben op de vennen, omdat die een schijngrondwaterspiegel hebben. Maar als beheerder heb ik nog steeds het gevoel dat die effecten worden onderschat, omdat de onderzoeksmethoden te grofmazig zijn. Oudere pachters weten nog te vertellen dat het vroeger ondenkbaar was dat je hier rond het Aekingerbroek in een natte zomer zoals van de afgelopen jaren zou kunnen hooien. Je kwam met machines of paard en wagen eenvoudig dat drassige land niet op. Onze indruk als beheerders is, dat ook de vennen nu veel eerder droogvallen dan voorheen.”

Door de genormaliseerde Vledder Aa weer tot een laagte terug te brengen wordt de waterafvoer uit het gebied geremd en ook de naaldbossen, die meer water verdampen dan heide of stuifzand, worden voor een deel gekapt. De voedselrijke, met meststoffen doordrenkte bovenlaag van het Aekingerbroek wordt afgegraven en verkocht, ondermeer om een vuilstort in de omgeving af te dekken. Belangstellende kopers mogen de grond zelf komen afgraven en krijgen daar ook voldoende tijd voor. Het karwei is nu voor de helft klaar. “Staatsbosbeheer houdt nu zelfs nog wat geld over om dit gebied weer schoon te krijgen, het kost de samenleving dus geen cent” zegt Brink tevreden.

Van de leuke bijzondere plantjes zoals pilvaren en ondergedoken moerasscherm die hier volgens de verhalen zijn teruggekeerd, valt vandaag helaas niets te zien want er staat wel een meter water. Boven de golfslag uit zie je nog net de paaltjes van wat hier wel oneerbiedig het 'volkstuintje' van de Rijksuniversiteit Groningen wordt genoemd. Het vegetatieonderzoek is bedoeld om na te gaan hoe zo'n afgegraven grond weer door wilde planten in bezit wordt genomen en welke rol allerlei dieren (zoals de koeien en schapen die hier grazen) daarbij spelen.

Een deel van het onderzoeksterrein wordt dus helemaal tegen grote grazers afgeschermd, hier kunnen alleen konijnen komen. Op een ander deel kunnen alleen schapen komen en op een ander deel ook de koeien. Op weer een ander deel worden ook heidestrooisel en maaisel van andere natuurterreinen uitgelegd om te zien of daaruit meer zaden kiemen.

“Best spannend”, vindt Brink. “Van de pilvaren bijvoorbeeld weten we dat die sporen wel vijftig jaar in de ondergrond kunnen liggen te wachten op een kans om te kiemen en ook heidezaad kan lang bewaard blijven. Andere, hele fijne zaadjes, zoals van het oeverkruid, leven niet zo lang maar die planten staan hier nog op sommige plekjes in de omgeving, dus met een beetje wind en een beetje geluk kunnen ze hier weer terugkeren. De vraag is nu of hier in de omgeving nog steeds alles in principe in de natuur aanwezig is, of dat je hier nu voor tuinman moet gaan spelen.”

Het plan is om het Aekingerbroek straks samen met de aangrenzende stuifzanden als één geheel te laten begrazen. Als de zon erop schijnt zal de strooisellaag snel verteren en ontstaat binnen korte tijd een schrale, heideachtige begroeiing. In lagere delen, waar water blijft staan, komt weer veenvorming op gang, met plantensoorten als beenbreek, oeverkruid, verschillende soorten zonnedauw en zegge.

Ook stroomafwaarts, in het Drentse Broek, eveneens onderdeel van de bovenloop van de Vledder Aa, wordt bos gekapt en voedselrijke bovengrond afgegraven om de oorspronkelijke situatie te herstellen.

Een ander onderdeel van het plan vormt de aankoop van zo'n 500 hectare landbouwgrond bij de 'Oude Willem' tussen boswachterij Appelscha (Friesland) en boswachterij Smilde (Drenthe). De naam Oude Willem is vermoedelijk ontleend aan een wat zonderlinge figuur die hier ten tijde van de ontginningen rondzwierf en in een plaggenhut woonde. Dit boerenland snijdt het Drents-Friese Wold dwars doormidden. Het gaat deels om nieuwe boerderijen, die hier 15 tot 20 jaar geleden bij de ruilverkaveling zijn neergezet en nu weer moeten wijken, dit tot verbijstering van de bewoners. Deels ook zijn het oudere domeinboerderijen uit de ontginningstijd.

Hoogveen

In het naburige Dwingelderveld, sinds 1991 een Nationaal Park, wordt gewerkt aan herstel van een naburig stuk hoogveen, het Holtveen bij Spier.

Men spreekt van hoogveen als het veenmospakket boven het maaiveld uitgroeit. Het werkt als een spons, als het nat is zet het uit, bij droogte krimpt het in. Vanuit de lucht zijn nog messcherp de patronen te zien van de turfwinning die hier tot in de jaren vijftig heeft plaatsgevonden. Kennelijk groeide het veen toen nog volop aan.

“Als er één ding belangrijk is voor hoogveenvorming, is het wel dat de waterstand niet teveel schommelt, niet meer dan 30 tot 40 centimeter per jaar”, vertelt districtshoofd Piet Kerssies van Staatsbosbeheer. “In de praktijk schommelde de waterstand hier wel een meter per jaar. Dan sterft het veenmos dat 's zomers is aangegroeid 's winters weer af. Er moet ook niet teveel golfslag zijn omdat anders het veen wordt weggeslagen.”

Om te zorgen dat het bestaande hoogveen meer water kan vasthouden en de waterstand er minder schommelt wordt gestreefd naar herstel van een natuurlijke waterhuishouding. “In honderd jaar tijd is in dit gebied ongelooflijk veel aan de waterstanden gesleuteld”, zegt Kerssies, die hier zelf als boerenzoon is opgegroeid in een tijd dat het hier nog zwart zag van de korhoenders - een soort die hier sinds 1988 niet meer is gezien. “Vroeger stonden de sloten tot eind april vol met water, nu staat het grondwaterpeil in april een halve tot een hele meter beneden maaiveld. Dat zijn enorme veranderingen!”, zegt Kerssies. Via peilbuizen, die elke veertien dagen worden opgemeten, wordt het gebied hydrologisch in kaart gebracht.

In overleg met het waterschap is inmiddels een grote afvoersloot, die ook voedselrijk water van naburige landbouwgronden door het natuurgebied heen leidde, gedempt. Het water wordt nu langer door het gebied geleid en verdwijnt pas na tweeënhalve kilometer richting Ruiner Aa, waarbij het van nature de laagste weg zoekt. Ook het laaggelegen fietspad langs het hoogveen wordt opgehoogd zodat het kostbare water minder snel over het pad heen wegstroomt. Het gaat vooral om regenwater maar daarnaast zorgt de aanwezigheid van kwelwater nét voor dat kleine beetje extra voedingsstoffen waaraan bijzondere planten hun bestaan ontlenen. Een betere waterhuishouding leidt ook tot minder snelle vergrassing van een natuurgebied.

Het aangrenzende bos van ongeveer 30 hectare wordt gekapt en de vruchtbare toplaag wordt afgegraven, zodat zich ook hier hoogveen en vochtige natte heide kunnen gaan ontwikkelen. Anders dan in het Drents-Friese Wold worden hier ook de stobben gerooid en dat kost flink wat geld. Anderzijds levert de verkoop van de zwarte grond geld op. Het vellen en verkopen van de nog vrij jonge bomen is ongeveer kosten-neutraal. Al met al kost het opknappen van het Holtveen Staatsbosbeheer zo'n ƒ 200,000.

“Het bos dat nu wordt gekapt is aangeplant na 1972 en daarom ervaart het publiek dat als minder dramatisch dan in het Drents-Friese Wold”, vertelt Kerssies. “Het is aangelegd op voormalige landbouwgrond die Staatsbosbeheer als compensatie kreeg toen er bos gekapt moest worden omdat de rijksweg A28 hier verdubbeld.”

“In het verleden was de gedachte dat je ook een reservaatje van drie hectare wel in stand kon houden”, vervolgt hij. “Nu komen we er steeds meer achter dat de omgeving van een natuurgebied een grote invloed heeft. Je kunt je energie beter gebruiken om een groot gebied goed te beheren dan om te proberen al die snippers in stand te houden. Maar de natuur werkt nou eenmaal niet van vandaag op morgen.”

    • Marion de Boo