Goud onder de kurk

Lafite in de gang, Chateau d'Yquem op de trap, en op de stoelen in de eetkamer Comtesse de Lalande. Ook al is de wijnkelder vol, de verzamelaar gaat door. “Je hebt gewoon mensen die willen van alles het duurste; een Rolex en een Rolls-Royce, en dus ook een Mouton-Rothschild.”

Ik kreeg een meneer aan de telefoon - vertelt een wijnhandelaar in het Gooi - hij was echt een beetje oud, in de tachtig, en hij vroeg, hebt u een Pétrus die op dronk is, ik zou er graag nog eens een proeven. “Die had ik, voor zeshonderd gulden, en ik bracht hem bij hem thuis op een verzorgingsflat, waar hij een kamer had met zijn vrouw die al enigszins aan het dementeren was, dus hij dacht zeker . . . Hij betaalde die fles zo uit zijn portefeuille, een, twee, drie . . . Zes maanden later komt er een mevrouw in de winkel die zegt, deze fles Pétrus hebt u geloof ik een half jaar geleden aan mijn vader verkocht maar hij is net overleden en dit lag er nog: kunt u hem terugkopen?”

Zo'n stil verhaal kan de onderzoeker te horen krijgen wanneer hij gaat vragen wie de echte dure flessen kopen die de meesten van ons overslaan bij de wijnhandel. De Pétrus, de Château d'Yquem en de Mouton-Rothschild zijn de meest gewilde Bordeaux, voor de mensen die ze niet overslaan; van degenen die zich op Bourgognes toeleggen reikt een enkeling tot de Romanée-Conti, de duurste wijn van de wereld.

“Ik kon maar een doos per jaar krijgen van Leroy waar één fles Romanée-Conti in zat” - dit is een verhaal van een wijnhandel in Amsterdam - “en ik nam die alleen als de vorige op was, ook de elf andere flessen, La Tâche en Richebourg en nog een paar die maar tweehonderd gulden of zo kostten. Er was een meneer die kwam er ieder jaar naar vragen - en als ik er een had, dan was hij zo blij, hij stond te juichen, ik heb hem, ik heb hem! - een fles van twaalfhonderdvijftig gulden.”

Zulke mensen zijn met moeite te begrijpen door de wijndrinker die zich niet graag boven de vijftien gulden voor een fles waagt. Degenen die opstijgen tot vijftig gulden zijn een kleine minderheid; daarboven torenen heel weinigen. “Ik ging laatst naar een man toe van wie ik wist dat hij veel in zijn kelder heeft - in een groot huis, en een vermogen van heb-ik-jou-daar. Ik mocht in de kelder kijken, dacht, dat zal wat zijn, maar er lag het gewoonste van het gewoonste, een heleboel flessen, niets bijzonders, en de temperatuur was ook verkeerd; er liep een stel warme buizen langs.”

Zo gaat het vaak. Niet altijd. “Er was iemand in de buurt van Den Haag, die bestelde in een klap vijfentwintig dozen van verschillende grande crus van 1988, driehonderd flessen van meer dan honderd gulden per stuk, en er kwam nog wat kleingoed bij van een gulden of tachtig. Voor zijn zoontje dat geboren was in 1988, vond hij leuk voor die jongen later.”

Deze aankoop is nog bescheiden vergeleken bij die van een man in het Gooi. “Hij was al in de vijftig toen hij begon met wijn verzamelen; hij kwam bijna iedere week in de winkel en dan kocht hij dozen van dit en dozen van dat, altijd de beste dingen. Voor duizenden guldens per week soms. Maar na zes jaar was hij ineens dood, en de familie wilde zoveel mogelijk terug verkopen. Dus wij daarheen; het was een kast van een huis maar in de kelder was allang geen ruimte meer en de wijn stond overal; in de gang en op de trap en op de stoelen in de eetkamer.”

Hans Walraven van de Nederlandse Wijnbeurs die alleen wijn bij dozen tegelijk levert kreeg onlangs een aanbieding van vijftig dozen Château d'Yquem, de Sauternes die zo beroemd is dat eenvoudige wijndrinkers er jaren later nog over opscheppen als ze er een gehad hebben. “Ik vroeg me af of ik die kwijt zou kunnen, voor vierhonderdvijftig gulden per fles, dus 5400 voor een kist - binnen een week had ik er honderd verkocht.” Dat is ongewoon: “De meeste mensen die bijvoorbeeld eens per jaar hun voorraad aanvullen met een doos of tien, bestellen er twee van tegen de dertig gulden, vier van tegen de twintig en nog vier kleinere. Maar je hebt gewoon mensen die willen van alles het duurste; een Rolex en een Rolls-Royce, en dus ook een Mouton-Rothschild. Sommigen bewaren hem, maar anderen drinken hem meteen, die vinden hem zo al lekker. De een houdt van de moeder, de ander houdt van de dochter.”

Soms hebben de dure wijnaankopen iets innemends ook al hebben ze weinig met de inhoud van de flessen te maken. “Een klant van ons heeft zeven- of achtduizend flessen liggen en hij drinkt er af en toe een; dan ziet hij hier een wijn die hij hebben wil, hij bestelt een paar dozen en hij zegt: kan het vandaag nog bezorgd worden? Het moet vooral vandaag! Het kan niet wachten!”

In veel gevallen lijkt 'kostbaar' de voornaamste aantrekkelijkheid te zijn van wijn. “De duurdere flessen komen vooral bij de horeca terecht; daar worden ze gedronken als iemand net een zaak van een paar miljoen heeft afgesloten - dan maakt het weinig uit.” Even commercieel zijn de relatiegeschenken in wijn. “Ik krijg tegen het eind van het jaar vaak mensen in de zaak die wijn bestellen op kosten van de zaak, zogenaamd als cadeau; maar zij houden hem zelf. En in het nieuwe jaar komt er nogal eens iemand binnen om te kijken hoeveel een Comtesse de Lalande of een Léoville las Cases kost; die koopt hij dan niet, maar hij heeft een doos van een relatie gekregen en hij wil weten wat die waard is.”

De beste wijnhandelaren houden niet van het soort klanten dat alleen hoge prijzen wil betalen; zij hebben liever dat hun advies gevraagd wordt. “Ik krijg hier 'wijnliefhebbers' met een doos Latour of Lafite waar er nog elf inzitten - op een veiling gekocht voor een paar duizend gulden, maar nu hebben ze er een geproefd en vinden er eigenlijk niets aan, dus willen graag verkopen.”

Sommige wijnhandelaren vinden dergelijk gedrag kwetsend. “Laatst werd ik opgebeld door iemand die in een Chinees restaurant in Hilversum zat met Zweedse relaties die nooit Mouton-Rothschild hadden geproefd. Kon ik die leveren? Jawel, voor 295 gulden. Of ik meteen langs wou komen en er zes meebrengen. Ik naar Hilversum, in de veronderstelling dat de flessen plechtig zouden worden onverhandigd; maar er werden er vier meteen opengetrokken, en iedereen sloeg de wijn achterover. Ik kreeg ook een glas. Ik vond het vreselijk om dit te moeten bijwonen; aan de andere kant was ik blij dat ik het jaar ook eens geproefd had, want ik kende het nog niet.”

Liever zou zo'n wijnhandelaar te maken hebben met de vriend van mij die onlangs een Château d'Yquem in een winkel zag en besloot dat hij er eens in zijn leven een moest kopen, al kostte hij 493 gulden. In de opwinding van de aankoop vergat hij dat hij zijn betaalkaarten en giromaatpas op het dak van de auto had laten liggen, terwijl hij de wijn zorgzaam achterin legde en wegreed; toen hij zoekend naar de winkel terugkeerde waren ze nergens te vinden, wat ergerlijk was, maar ook de bijzondere dag in passende stijl dramatiseerde (uren later belde een mevrouw op die ze gevonden had).

    • J. J. Peereboom