Filmindustriebeleid

De bescherming van de Europese cultuur, dat is de officiële reden voor de actie die Frankrijk vorig jaar begon om Europese films en televisieprogramma's tegen Amerikaanse concurrentie te vrijwaren. Maar dr. K. Büscher, medewerker van de Europese commissaris voor industrie Bangemann, noemde vorige week in Brussel tegenover verbaasde vertegenwoordigers van de Europese metaalarbeidersbonden, hulp voor de film als voorbeeld van goed Europees industriebeleid. Wat de één beschouwt als een pleidooi voor culturele belangen, is voor de ander een aantrekkelijke zakelijke ontwikkeling.

Als gevolg van de opstelling van Frankrijk is de film- en televisieindustrie buiten het GATT-akkoord over de wereldhandel gebleven. Europees commissaris voor cultuur Pinheiro heeft onlangs in een groenboek de door Frankrijk gewezen richting gevolgd en behalve voor steun aan de film gepleit voor een verplicht minimum percentage Europese programma's op de Europese televisieschermen. Wat cultureel daarvan ook het gevolg kan zijn, bij de staf van commissaris voor industrie Bangemann wordt al bekeken hoe het zakelijk gunstig kan uitpakken.

Meer dan lang het geval was wil Bangemann dat bij steun voor de Europese industrie gelet wordt op de directe belangen van de afnemers. Bij steun voor ontwikkeling van technologie gaat het niet alleen om wat de industrie wil, maar ook om de vraag of de consument er iets aan heeft. Het gaat minder om wat Philips of Bull nodig heeft, zei Bangemanns medewerker Büscher tegen de vakbondsvertegenwoordigers, maar of een nieuwe technologie door velen toegepast kan worden.

Deze marktgerichte benadering wil Bangemann ook voor de filmindustrie. De Europese filmindustrie kan een aantal jaren worden geholpen, maar dan moeten er wel films gemaakt worden die zo'n groot publiek trekken, dat de sector een zakelijk succes wordt. Dat is een iets andere benadering dan die van Hans Tijssen, de secretaris-generaal van de Nederlandse Federatie voor Cinematografie, die naar aanleiding van Pinheiro's groenboek onder anderen hoopt dat er meer geld komt voor 'moeilijke, cultureel waardevolle' films.

In Nederland azen televisieproducenten Joop van den Ende en John de Mol op de zakelijke kansen die het door Frankrijk begonnen cultuurbeleid biedt. Hun gezamelijke onderneming Endemol Entertainment hebben ze vorig jaar vooral opgezet omdat ze groei verwachten als film- en televisieprodukties buiten de GATT blijven en Amerikaanse produkties beperkt worden toegelaten.

De producenten van programma's als All you need is love en de Honeymoon Quiz luisteren met genoegen naar Franse pleidooien voor de bescherming van de Europese culturele identiteit tegen de commerciële produkten van Hollywood. Hoe minder Amerikaanse produkties op Europese televisieschermen, hoe meer vraag naar Goede tijden, slechte tijden. Endemol wil wel uitbreiden, de Europese televisieschermen kunnen moeilijk bij gebrek aan Europese produkties zwart blijven.

Kansen voor uitbreiding van de televisiemarkt liggen voor Endemol in de eerste plaats in Zuid-Europa. Endemol werkt al voor een commerciële zender in Portugal en levert ook aan andere Zuideuropese commerciële en publieke omroepen. Uitgerekend de Franse televisiewereld is moeilijk toegankelijk voor buitenstaanders als Endemol. Ook in Groot-Brittannië zijn niet veel mogelijkheden. In Duitsland levert Endemol al volop via CLT, de Luxemburgse moedermaatschappeij van de RTL-zenders.

In hoeverre een gesubsidiëerde film- en televisiesector cultureel ook Europees is, zakelijk is hij dat in ieder geval niet. Het is bijvoorbeeld de vraag wat het voor Frankrijk betekent als Silvio Berlusconi, eigenaar van drie commerciële Italiaanse televisienetten, straks als Italiaans premier invloed uitoefent op de Italiaanse staatstelevisie RAI - die ook een grote afnemer van televisieprogramma's en films is - en tevens met subsidie aan de wederopstanding van de legendarische filmstudio's van Cinecittà zou gaan werken. In Duitsland wordt het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf (NOB), dat studio's en televisietechniek levert aan wie dat wenst - van EO tot Endemol - gezien als een grote concurrent voor de Duitse produktiebedrijven. In Keulen, waar NOB zich sinds eind vorig jaar heeft gevestigd, wordt verwacht dat de Nederlandse produktiekolos de kleinere televisiebedrijfjes onder de voet zal lopen.

Hoe zakelijk het belang van de Europese film kan zijn, wordt treffend getoond bij Wildenrath, een voormalige Britse militaire luchtmachtbasis bij Mönchengladbach. Daar wil men hangars tot filmstudio's ombouwen met gebruik van gelden bestemd voor economische herstructurering van de oude mijnbouwstreek.