Expositie Unicorno-collectie toont pareltjes 17de- en 18de-eeuwse kunst; Verrukkelijk allegaartje van tekeningen

Tentoonstelling: Kleur en raffinement, Tekeningen uit de Unicorno-collectie. Tot en met 29/5 in het Rembrandthuis, Jodenbreestraat 4-6, Amsterdam. Geopend: ma. t/m za. 10-17 uur, zo. 13-17 uur. Catalogus: ƒ 49,50. Van 22/10 tot 15/1/95 in het Dordrechts Museum.

Belangstelling voor flora en fauna kan het Haagse collectioneurs-echtpaar Nijstad-Einhorn niet worden ontzegd. Op de tekeningen uit hun bezit die momenteel onder de titel Kleur en raffinement in het Rembrandthuis worden geëxposeerd, zijn veel dieren te zien. De Unicorno-collectie -verwijzend naar de naam Einhorn- toont onder meer een karikaturale olifant, nauwgezet geaquarelleerde 'kleine dierkens' als de pissebed en de hommel, en een bonte verscheidenheid aan exotische zoogdieren en vogels. Sommige tekstbordjes hebben daarmee een wat ornithologisch karakter gekregen: de grote Hokko (Crax rubra L.) blijkt in Peru en Guyana voor te komen en leeft, in tegenstelling tot andere grootpoothoenderen, in bomen.

Meer nog dan bij de gedetailleerde dierentekeningen lijkt de titel Kleur en raffinement betrekking te hebben op een aantal uiterst verfijnde bloem-aquarellen van vrijwel onbekende vrouwelijke kunstenaars als Alida Withoos en Johanna Helena Herolt Graff. Deze groep zeventiende- en achtiende-eeuwse dieren- en bloementekeningen vormt een min of meer logische eenheid.

De Unicorno-collectie omvat echter óók zestiende-eeuwse Bijbelse voorstellingen, zeventiende-eeuwse genretaferelen (Van Ostade, Dusart), romantische arcadische landschapjes en enkele twintigste-eeuwse werken (Willink, Van Dongen). Van samenhang is beslist geen sprake meer. 'De verzameling is min of meer op toevallige wijze tot stand gekomen', schrijft Saam Nijstad in de inleiding van de mooie catalogus. De (voormalige) kunsthandelaar en zijn vrouw kochten tekeningen “op basis van gevoel en smaak, nooit vanuit de drang om lacunes in de verzameling op te vullen.”

Het is prijzenswaardig dat ook bij het selecteren van tekeningen voor deze expositie het 'gevoel' prevaleert boven het verstandelijke streven naar samenhang. Het heeft me geen moment gestoord dat de grote Hokko vlakbij een mythologisch tafereel met de jeugdige Hercules te vinden is, of dat een doodshoofdaapje uitzicht heeft op de basiliek van Constantijn. De tekeningen die het echtpaar Nijstad-Einhorn bijeenbracht, vormen een verrukkelijk allegaartje. Het is op initiatief van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie dat deze 'verborgen' verzameling nu in het Rembrandthuis en straks in het Dordrechts Museum is te zien.

De hoogtepunten zijn talrijk. Een vroeg zeventiende-eeuws Heuvellandschap met een gezicht op Antwerpen trekt -ondanks het kleine formaat- onmiddellijk de aandacht. Een havengezicht van Kees van Dongen steekt soortgelijke werken van J.B. Jongkind naar de kroon. En van Isaac Israels is er een Tekenende vrouw die in zijn verstilde eenvoud de brief-lezende en schrijvende meisjes van Vermeer in herinnering roept.

De dierentekeningen van de Hoornse amateur-tekenaar en pasteibakker Johannes Bronkhorst (1648-1727) hebben een onbevangen, naïeve charme. Zijn grootogige struisvogels lijken uit een stripverhaal weggelopen en hebben in hun houterige precisie iets aandoenlijks. Bronkhorsts leerling, stadgenoot en collega-pasteibakker Herman Henstenburgh (1667 - 1726) heeft zijn leermeester op technisch gebied verre overtroffen. Een geaquarelleerd Vanitas stilleven met bloemen, distels en een doodshoofd (verwijzend naar de vergankelijkheid) is met fabelachtige verfijning getekend. De kleurige bloemen spatten van het papier, de distels zijn tot in de kleinste details weergegeven en in de zandloper weerspiegelen de glas in lood-ruitjes van het vertrek. Met het perspectief had Henstenburgh meer moeite: zandloper en kandelaar hebben een wat merkwaardige vorm. Die 'foutjes' doen overigens geen afbreuk aan het stilleven. Mooi is ook een lieflijke landschapstekening van Hermanus Fock (1766-1822), een al even onbekende kunstenaar die in Amsterdam en Franeker werkzaam was.

De Unicorno-collectie omvat veel tekeningen uit de late zeventiende- en achtiende eeuw, een periode die door de Nederlandse (kunst)geschiedenis onder het vloerkleed is geveegd. Nog steeds ondervindt de opvatting dat het Hollandse schilders na 1670 aan 'frissche kracht en durf' ontbrak, weinig tegenspraak. In zijn standaardwerk over zeventiende-eeuwse schilderkunst (1936) verkondigde W. Martin dat een 'stadium van slaperigheid' aanbrak waaruit ons “eerst de negentiende eeuw zou wakker schudden.” Zonder te beweren dat de periode 1670-1800 in Nederland een kunstenaar van het formaat van Rembrandt of Vermeer heeft voortgebracht, lijkt Martins opvatting me onderhand wel aan revisie toe. De Unicorno-collectie toont eens temeer aan dat dit goeddeels weggeretoucheerde tijdvak ook pareltjes heeft voortgebracht.

Nijstad prijst in zijn voorwoord het 'intieme karakter' van het Rembrandthuis. De tekeningen komen in de twee tentoonstellingszaaltjes inderdaad goed tot hun recht. Curieus is wel dat een aanzienlijk deel van de bezoekers bij toeval op de tentoonstelling verzeild raakt. De meeste buitenlandse toeristen bezoeken het Rembrandthuis nu eenmaal in de (vergeefse) hoop Rembrandts bezittingen en schilderijen te zien.

    • Erik Spaans