E=mc (1)

Nav. het stukje van Dirk van Delft “relativiteitstheorie voor scholieren” (W&O 7 april) wil ik het volgende naar voren brengen. Natuurlijk ben ik het met prof. Berends eens dat E=mc geen simpele identiteit voorstelt maar alvorens zo'n moeilijk begrip als de Minkowskiruimte er bij te halen lijkt het me zinvol deze minst omstreden formule van Einstein wat eenvoudiger te benaderen.

Massa en energie lijken kwalitatief heel verschillende grootheden. Nu móet je wel een verborgen gemeenschappelijke bouwsteen aannemen waarvan de ordening in tijd en ruimte bepaalt of je met massa of energie te maken hebt. Massa: “spul” is geconcentreerd in een klein volume en beweegt in een gesloten baantje met de lichtsnelheid. Energie: alle andere acties van hetzelfde spul. Dit lijkt misschien wat simpel maar een omzettingsproces alleen op pragmaties nivo begrijpen - zoveel m erin en c2 keer zo veel E er uit - is mijns inziens onvolledig. Wat er in de black box gebeurt moet ook worden ingevuld en liefst als een soort plausibel filmpje.

Einstein wees er op dat energie, aan een versnellingsproces besteed, zich wel móet uiten in een oplopende m.v-waarde ook al kan de sneldheid (v) gaandeweg niet meer toenemen vanwege de onoverschrijdbaarheid van de lichtsnelheid. De enige uitweg is massatoename.

Maar een zekere Friederich Hasenöhrl bedacht in 1904 vanuit het verschijnsel “lichtdruk” en de daarbij optredende terugstoot, dat een lichtuitstralend lichaam een fractie in massa moet afnemen, zonder de superconstantheid van het licht (voor bewegingen van de waarnemer) er bij te halen. Van energie-afgifte naar massa-afname dus.