Dissertatie over de prijs van de beschaving; 'Vergaderen is het lot van de moderne mens'

Terwijl Elias zelf zich behielp met etiketteboeken om de voortgang van de civilisatie te beschrijven, schreef de socioloog Wilbert van Vree een proefschrift over vergaderen. 'Mensen dwingen elkaar ertoe'.

Nederland als vergaderland; opkomst en verbreiding van een vergaderregime; door: Wilbert van Vree. Uitgeverij Wolters-Noordhoff, 1994, prijs ƒ 59,-.

Sinds de jaren zeventig is de Nederlande bevolking vrijwel permanent in vergadering, zo valt op te maken uit Nederland als vergaderland, de dissertatie van Wilbert van Vree. Alleen al in het Utrechtse Jaarbeurscomplex worden jaarlijks zo'n 250.000 vergaderingen gehouden, en dat aantal verdubbelt al gauw als er ook de vergaderingen bijkomen die de Amsterdamse RAI en het Haagse Congresgebouw voor hun rekening nemen. En dan zijn er nog honderden gemeenteraden, duizenden commissies en besturen, tienduizenden verenigingen, en honderdduizenden bedrijven en kantoren waar dagelijks miljoenen mensen plaatsnemen aan de bij voorkeur ronde of ovale tafels.

Parallel aan deze vergaderexplosie in Nederland - en in de Westerse, geïndustrialiseerde samenleving als geheel - gaat een snel uitdijende stapel aan vergaderhandleidingen en -leerboeken. Van Vree is er meer dan achthonderd op het spoor gekomen, waarvan honderdtwintig van Nederlandse herkomst (die laatste alleen al hebben een geschatte oplage van een half miljoen). Het zijn min of meer populaire werkjes met titels als 'Vergaderen zonder frustraties', waarin de beginnende vergaderaar de kneepjes van het vak in strenge, soms zelfs kapitale bewoordingen krijgt voorgehouden: 'Het is van het grootste belang dat u de mensen in de vergadering RUSTIG AANKIJKT. Vanzelfsprekend moet uw aandacht zich verdelen: nooit iemand of een bepaald punt fixeren, maar steeds uw blik laten DWALEN.'

Vergaderen kortom heeft zich ontwikkeld tot een omvangrijk onderdeel van het sociale verkeer. Van Vree schrijft: 'Vergadervaardigheden en kennis van vergadertechnieken zijn onmisbare ingrediënten voor een succesvolle maatschappelijke carrière. Wie in de huidige samenleving wil stijgen, moet een ladder van vergaderingen beklimmen.' En aan het eind van die ladder, die tegenwoording al begint met het 'kringgesprek' op de basisschool, wacht de volhouder misschien een van die vele met status beladen aanspreektitels die aan vergaderfuncties zijn ontleend: voorzitter, president, president-directeur, president-commissaris, of wie weet wel - de vlees geworden vergaderkunst zelve - minister-president.

Waar ligt de oorsprong van al die activiteit? Langs welke lijnen heeft het vergaderen zich door de eeuwen heen ontwikkeld? Dat zijn de drijvende vragen achter Nederland als vergaderland. Van Vree begint zijn speurtocht in de middeleeuwen, waarbij hij zich richt op het gebied dat ruwweg het huidige Nederland omvat. Zijn interesse gaat vooral uit naar 'centrale vergaderingen binnen het Nederlandse staatsvormingsproces', zoals die gehouden werden bij concilies en hofdagen in de middeleeuwen, bij de stadsbesturen en Staten-Generaal in de periode na De Opstand, en nog weer later bij de vele fasen van parlement-vorming.

Maar Van Vree beoogt meer met zijn studie dan enkel het geven van een historisch overzicht. Hij wil de ontwikkeling van het vergaderen belichten vanuit de civilisatietheorie van Norbert Elias, zoals die uiteengezet is in het nog altijd veelbesproken Het civilisatieproces uit 1939. Kortweg komt die theorie op het volgende neer. Door uiteenlopende factoren zijn de afgelopen duizend jaar in Westeuropa steeds meer mensen economisch en sociaal van elkaar afhankelijk geworden. Als gevolg daarvan waren ze gedwongen om rekening met elkaar te houden en eigen emoties als woede of de neiging tot geweld te beheersen. Geleidelijk aan werd die dwang tot zelfbeheersing als het ware vanzelfsprekend: de persoonlijkheidsstructuur van de mensen veranderde en dat bood weer mogelijkheden voor verdergaande integratie.

Het is die dwang tot zelfbeheersing - uitgedrukt in allerlei verbodsbepalingen op het gebruik van geweld en agressie - die als een rode draad door het boek loopt, en die Van Vree tracht op te sporen in de vergaderreglementen en leerboeken die de basis van zijn onderzoek vormen. Hij doet dat secuur en met veel oog voor detail, zoals onder meer blijkt uit zijn beschrijving van de tafelzitting van de Staten-Generaal aan het eind van de zestiende eeuw, of van de roerige, met bier overgoten gildebijeenkomsten in de middeleeuwen. Nederland als vergaderland is bovendien helder en toegankelijk geschreven, al zal de buitenstaander even moeten wennen aan het typische Elias-jargon dat af en toe opduikt (met woorden als 'dubbelbindingsproces' en 'overlevingseenheid').

Vergaderen als een aspect van het civilisatieproces, hoe bent u op het idee gekomen?

'Samen met een collega van mij, een jaar of tien geleden toen we op zoek waren naar een geschikt onderwerp voor een proefschrift. We begonnen aan een verzameling vergaderleerboeken en die teksten bleken goed aan te sluiten bij de theorie van Elias. Beter zelfs, zeg ik niet zonder trots, dan de toch wat gedateerde etiquetteboeken die Elias zelf gebruikte. Ik verdiepte me toen verder in de historische achtergrond. Vooral de middeleeuwen gaven veel problemen: nauwelijks literatuur voorhanden, nauwelijks bronnen. Maar vanaf de eerste reglementen uit de zestiende eeuw en later die leerboeken ging het gelukkig sneller.'

U heeft die boeken tot op de laatste letter gelezen?

'Ja zeker. Als je maar weet wat je moet zoeken, dan wordt het zelfs spannend ondanks de eenvormigheid en saaiheid die dergelijke boeken uitstralen.'

Even saai als de meeste vergaderingen beschouwd worden?

'Ach, dat hoor je zo vaak dat saai, net als woorden als vergaderziekte, vergaderkoorts en vergaderplaag. Het punt is dat vrijwel iedereen vergaderingen saai vindt, maar dat tegelijk vrijwel iedereen eraan deelneemt. Die tegenspraak vormt een bij uitstek sociologisch probleem, zou je kunnen zeggen, een probleem waar mijn boek een antwoord op tracht te geven.'

Mensen zijn gedwóngen te vergaderen, is uw stelling.

'Mensen dwingen elkáár tot vergaderen, daar komt het op neer, en dat proces is vooral vanaf de zestiende eeuw in volle gang gekomen. In die tijd was het georganiseerde geweld langzaamaan door de staat gemonopoliseerd en dat betekende een enorme aanzet tot schaalvergroting. Mensen, of beter: mensen in WestEuropa, werden in toenemende mate tot elkaar veroordeeld, bijvoorbeeld door arbeidsdeling, en daarbij dwongen ze elkaar - of ze dat individueel nou leuk of vervelend vonden, saai of spannend - tot overleg, tot vergaderen, tot samen bezinnen op de toekomst. En in dat overleg was zelfbeheersing vereist. Geschillen werden voortaan uitgevochten met woorden in plaats van met geweld of met de dreiging van geweld, al moest dat laatste nog lange tijd in formele regels bezworen worden.'

Maar is die trend vandaag de dag niet buiten alle proporties toegenomen? Hoe staat het met de doelmatigheid van al die vergaderingen?

'Vergaderingen zouden over het algemeen heel wat sneler, korter en effectiever kunnen zijn. Daar wordt ook hard aan gewerkt door organisatiebureaus en dat soort instellingen, en dan praat ik nog niet eens over nieuwe technologische toepassingen als het computervergaderen. Toch ben ik ervan overtuigd dat de tijd die daardoor vrijkomt opnieuw besteed zal worden aan vergaderingen. Zoals ik schrijf in mijn boek: vergaderen is het lot geworden van de moderne mens. Het is de prijs die hij moet betalen voor een grotere veiligheid en een welvarender bestaan.'

Er is geen weg terug?

'Nee, uitgesloten, catastrofes daar gelaten.'

Een belangrijk deel van Nederland als vergaderland gaat over de zogenaamde 'parlementarisering' van het vergaderen die aan het begin van de negentiende eeuw inzette: het verbreiden, naar steeds grotere lagen van de bevolking, van gedragsregels die opgesteld werden bij de liberale staatshervorming van 1848 en later bij de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917-1919. Regels over de manier van beslissen en stemmen, de juiste wijze van spreken, de ordehandhaving en de voorzittersfunctie raakten meer en meer ingeburgerd bij het verenigingsleven, zowel bij het zakelijke als het politieke. Dat laatste viel samen met de organisatie van de arbeidersklasse vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw en de 'verzuiling' die dat proces met zich meebracht. De arbeider moest leren vergaderen, hoe moeizaam en turbulent dat aanvankelijk ook verliep, zoals blijkt uit een aanmaning, uit 1896, van de katholieke voorman Ariëns aan de RK Twentse Katoenbewerkersbond te Oldenzaal: 'Nog veel voornamer is orde en tucht. Ge moet flinke reglementen hebben, waarnaar allen luisteren, meerderen en minderen. Als gij voorzitter zijt, zorg toch dat gij op tijd present zijt om de vergadering te openen; kom voorbereid op den katheder, en toon dat gij leiden kunt. Als gij secretaris zijt, gebruik toch Uw pen, zorg dat gij met Uwe zaken klaar zijt.'

De toetreding van de georganiseerde arbeidersbeweging tot het parlement ging gepaard aan een verscherping van de gedragsregels, waarbij de disciplinaire bevoegdheden van de voorzitter sterk werden uitgebreid - vooral na de 'revolutie-debatten' in november 1918. Zo kon de voorzitter voortaan kamerleden die het verloop van de vergadering ernstig belemmerden (de 'bitteren en twistgierigen' zoals het in de zestiende eeuw nog zo mooi heette) de toegang tot het Kamergebouw ontzeggen.

De verscherping van de regels in die jaren - en tegelijk: de grote gevoeligheid voor beledigingen - valt af te lezen aan de lange rij van niet-geoorloofde (volgens de voorzitter) uitdrukkingen waarmee de kamerleden elkaar destijds bestookten. Enkele voorbeelden: 'politieke gifmenger, spullebaas, barbaren, woordbreukige heeren, farizeeërs, vergulde vechtjas, en het intrigerende 'een ellendige troep dompers' - een scheldwoord dat men vaak gebruikte voor orthodoxe protestanten, schrijft Van Vree; bedoeld werd het 'dompen' van wetenschap en vooruitgang.

Vanaf de jaren vijftig vindt een meer ingetogen en zakelijke benadering ingang, al willen termen als 'leugen' en 'bedrog' (en varianten daarop als Van Dams 'belubberen') nog wel eens voor opschudding zorgen.

De laatste jaren is de roep algemener geworden om meer 'vuurwerk' in de Tweede Kamer, om een wat fellere, zeg maar Britse manier van debatteren. Is daar enige kans op?

'Ik denk het niet, zelfs al zou de Kamer dat willen. De zakelijke en gematigde toon van tegenwoordig heeft namelijk alles te maken met de veranderde instelling van de kamerleden zelf: ze weten wat ze aan elkaar hebben, ervaren elkaars optreden niet meer als potentieel bedreigend, en dat draai je niet zo maar terug. De wederzijds verwachte zelfbeheersing is zelfs zo toegenomen dat er een versoepeling van de regels heeft plaats gevonden, het vaker toestaan van interrupties bijvoorbeeld. En het Engelse Lagerhuis, inderdaad, daar wil het wel eens vlammen, maar daar heerst dan ook een heel andere parlementaire traditie. Twee partijen tegenover elkaar, en het debat als een wedstrijd, een toernooi compleet met winnaars en verliezers. Maar ja, zo zijn we hier niet, nooit geweest ook trouwens.'

En als de Centrum Democraten hun zetelaantal uitbreiden?

'Dan krijg je een verscherping van de regels, daar ben ik zeker van. Het zullen allereerst regels zijn op het gebied van geoorloofd taalgebruik die in het geding komen: hoe spreek je over allochtonen en asielzoekers, wat mag je ze als kamerlid toedichten aan woorden en kwalificaties, welke vergelijkingen zijn toelaatbaar, dat soort vragen. En als het zetelaantal van de CD ooit oploopt tot boven de vijftien, zullen er nog striktere maatregelen komen. Een uitbreiding van de bevoegdheden van de voorzitter misschien.'

De opkomst van de CD wordt onder meer in verband gebracht met de gebrekkige 'herkenbaarheid' van de huidige politici.

'Ja, die herkenbaarheid is sterk afgenomen, al valt dat de politici zelf eigenlijk niet te verwijten. Zoals ik schrijf in mijn boek: de vertrouwde ideologieën van vroeger zijn vrijwel verdwenen, opgeslokt door vergaderen en onderhandelen en het voortdurend sluiten van compromissen. Hetzelfde kun je zeggen van de voormannen en woordvoerders. Vergaderaars zijn het geworden. Mensen die, tegen wil en dank misschien, een andere taal zijn gaan spreken dan een deel van het kiezersvolk.'

Een scheiding tussen vergaderaars en niet-vergaderaars?

'Dat is een andere formulering om de tweedeling in de samenleving weer te geven. Niet-vergaderaars, een grote groep toch nog altijd, laten we dat niet vergeten, kennen de regels niet, kunnen zich niet bewegen in vergaderingen. Ik zie het vaak in wijkraadsgaderingen, hier in de Kinkerbuurt. Komen er opeens mensen binnen die een lang en verward verhaal gaan afsteken, vol van grieven. En wij vergaderaars kijken toe, beschaamd bijna, gegeneerd, en je ziet de frustraties opwellen bij zulke mensen als ze merken in wat voor totaal wezensvreemde omgeving ze zijn terechtgekomen. Maar hoe die mensen op te vangen, ik zou het niet weten.'

Het geldt ook voor allochtonen.

'Zeker, al wordt er aan de educatie van die groep in elk geval gewerkt, en denk ik dat de eerste vergaderleerboeken voor allochtonen niet lang op zich zullen laten wachten. Dan kunnen ze zich effectief met hun emancipatie gaan bezig houden.'

Vergaderen als wondermiddel?

'Vergaderen als een aanpassingstechniek voor mensen in veranderde omstandigheden, niets meer, niets minder.'