Democratie en groei of de VS contra Aziaten

De Amerikaanse eis aan China om vóór 3 juni aanstaande meer respect voor de mensenrechten te tonen op straffe van minder handelsvoorrechten wekt in niet-dissident Oost-Azië weinig enthousiasme. In deze regio, de snelst groeiende ter wereld, menen de meeste machthebbers dat 'uitstel' van democratie economische groei juist bevordert.

Toen de Chinese dissident Han Dongfang niet lang geleden in een politiejeep werd geduwd richting Hongkong (enkele reis) stuitte hij op een dilemma dat mensenrechtenvoorvechters in Azië steeds meer tegen komen. Terwijl de jeep langs armzalige hutjes scheurde nabij Shenzhen, de 'speciale economische zone' even ten noorden van Hongkong, grapte de 30-jarige dissident/arbeidsorganisator tegen begeleidende veiligheidsagenten: 'Als jullie mij ooit moeten doodschieten, moet je maar denken dat mijn bedoelingen vaderlandslievend waren'. Waarop hij kreeg te horen: 'Maar waarom zit je dan de regering van China zo dwars terwijl die nu juist zovelen welvaart probeert te bezorgen? Voor jou is geen plaats hier'. Waarna Han zonder paspoort de grens met Hongkong werd overgezet.

Zijn ervaring illustreert het pregnante conflict dat in een ontwikkelingsland kan ontvlammen tussen snelle economische groei enerzijds, en democratie en de meer individueel getinte mensenrechten anderzijds. Niet alleen in Peking maar ook in veel andere Aziatische hoofdsteden worden economische vooruitgang en welvaartsspreiding beschouwd als de meest fundamentele mensenrechten en leeft de opvatting dat krachtige, autoritaire en stabiele regimes daartoe de beste waarborg vormen. En men toont zich er geïrriteerd over Westerse kritiek daarop.

Vooral het Amerikaanse dreigement aan China's adres om dat land per 3 juni aanstaande de handelsstatus van 'meest begunstigde natie' te ontnemen als de mensenrechten niet beter worden gerespecteerd - terwijl de hotels in Peking uitpuilen met Amerikaanse handelsdelegaties en zakenlieden - wekt in Azië ergernis. “Aziaten wensen niet langer als goede westerlingen te worden beschouwd, zelfs als ze vriendelijk tegenover het Westen staan”, mopperde de Singaporese columnist Tommy Koh. “Of een snelle democratisering van China wenselijk is blijft kwestieus”, noteerde onlangs hoofdredacteur Barry Wain van The Asian Wall Street Journal. “China's buren hebben in ieder geval reden tot zorg over de mogelijke fragmentatie van dit enorme land. Zeker nu de opvolging van Deng voor de deur staat.”

Vervolgens schreef de Singaporese topdiplomaat Bilahari Kausikan in het herfstnummer van het tijdschrift Foreign Policy dat de kwestie van de mensenrechten nooit opkomt in een vacuüm. “Tijdens de Koude Oorlog werden de mensenrechten mede gebruikt als ideologisch instrument tegen het Sovjet-rijk”, aldus Kausikan “Daarom waren de dictatoriale regimes van de Philippijnen, Taiwan en Zuid-Korea toen dikke vrienden van Washington. In het post-Koude Oorlog-tijdperk wordt het voor het Westen blijkbaar verleidelijk om de mensenrechten tot een instrument te maken in de concurrentiestrijd met het sterk opkomende Azië. De Franse premier beschuldigde de Aziaten twee jaar gelden zelfs van het bezit van 'andere waarden waardoor de Franse welvaart wordt ondergraven'.

Blijft de vraag hoe zwaar die beweerde Westerse pressie weegt. Het komende decennium wil niet-Japans Oost-Azië duizend(!) miljard dollar steken in nieuwe infrastructuur. Westerse naties en bedrijven worstelen om een zo groot mogelijk aandeel in die buit. Wie is dus afhankelijk van wie? Volgens de Amerikaanse econoom Lester Thurow is het een oude, ongeschreven wet dat de regels voor de handel - en voor nog heel wat meer zaken - worden opgesteld door degenen die de toegang tot de grootste wereldmarkt bepalen. De vorige eeuw waren dat de Britten, deze eeuw Amerikanen en Europeanen. Beiden beklonken onlangs nog tijdens een onderonsje het 'wereldwijde' GATT-vrijhandelsakkoord. Maar Azië is in aantocht. Volgens de laatste 'Global Economic Prospects' van de Wereldbank zal het Chinese bruto nationale produkt bij een voortgaande jaarlijks groei van gemiddeld 8 procent (dit jaar zal het 11,5 procent bedragen) over twintig jaar zijn verzesvoudigd en groter zijn dan dat van de VS en Japan samen.

Intussen moet Azië een nachtmerrie opleveren voor degenen die onverkort volhouden dat het recht om aan armoede te ontsnappen niet mag worden ontkoppeld van het recht op democratie en mensenrechten. Aan de ene kant meldde de Wereldbank eind vorig jaar in het opvallende rapport 'The East Asia Miracle' dat geen ander gebied in de wereld in één enkele generatie (1960-90) zo snel wist te groeien. Sterker nog: die groei ging gepaard met afnemende inkomensverschillen. Neem Zuid-Korea, waar de rijkste 20 procent van de bevolking acht keer zoveel verdient als de armste 20 procent. In landen als Brazilië en Mexico verdient alleen al de rijkste 5 procent twintig keer zoveel als de armste 20 procent.

Dan de keerzijde van de medaille: in geen van de genoemde acht Oostaziatische 'supersterren' heerste de afgelopen dertig jaar democratie terwijl de mensenrechten er vaak routineus werden geschonden. China was een communistische heilsstaat, thans voorzien van 'Chinese karakteristieken', dat wil zeggen wild-kapitalistisch. In Indonesië heerste eerst een militaire dictatuur en later een autoritaire éénpartij-staat. Zuid-Korea en Taiwan waren onversneden dictaturen waar pas in de latere jaren tachtig de politieke liberalisering toesloeg. Singapore en Maleisië kenden gekozen autoritaire regeringen terwijl Thailand over een meer ontloken democratie beschikte, al kwamen de militairen daar wel herhaaldelijk orde op zaken stellen. Tot slot de koloniale regering van Hongkong: die werd pas in de jaren negentig vrijgekozen in plaats van door Londen benoemd.

Stel daar tegenover de Aziatische kampioenen van de democratie: India dat sinds 1960 weinig meer dan eenderde van het Chinese groeitempo bereikte; Sri Lanka dat half zo snel groeide als Taiwan; en de Philippijnen, na de tweede wereldoorlog en na Marcos' aftocht in 1986 waarschijnlijk het vrijste land van Azië maar tegelijk met de zwakste economische prestaties.

Daar komt bij dat het heden van Azië niet zoveel verschilt van het verleden van Europa (en van het meest ontwikkelde Aziatische land Japan). Afgezien van Groot-Brittannië - maar dat was al een hechte standenmaatschappij - kunnen de grotere Europese landen evenmin terugzien op een lange traditie van liberale democratie en burgerrechten. Tijdens hun eigen opmars naar massa-welvaart waren deze Europese naties meestal niet minder autoritair dan de Aziatische vandaag. Bismarck-Duitsland werd in de tweede helft van de vorige eeuw even krachtig en autoritair naar economische ontwikkeling geleid als Meiji-Japan. In Nederland bestonden Philips, Shell en de ouders van Unilever allang toen daar in 1917 algemeen kiesrecht voor mannen en in 1922 voor vrouwen werd geïntroduceerd.

Toch trok Zbigniew Brzezinski, voormalig veiligheidsadviseur van de Amerikaanse president Carter en nog steeds een invloedrijke commentator, afgelopen december in het magazine van het Asian Institute of Management te Manila fel van leer tegen de autoritaire verleidingen in Azië. “Elk zichzelf respecterend land behoort te proberen politieke democratie en economische ontwikkeling gelijktijdig te realiseren”, aldus Brzezinski. “Bovendien produceren autoritaire regimes niet alleen economische mirakels maar ook rampen. Zie Birma of Noord-Korea”. Toch lijken dat eerder incidenten die een meer algemene regel bevestigen in het hedendaagse Azië waar, hoe men het wendt of keert, een brede coëxistentie blijkt te bestaan tussen autoritair bestuur en snelle economische groei.

Scoort autoritaire heerschappij op economisch terrein dus beter dan democratisch bestuur? Zonder direct op deze gevoelige vraag in te gaan, verrichtte de Wereldbank de afgelopen jaren heel wat speurwerk naar de bronnen van economische vooruitgang. Zo keek de Bank in 1991 in het rapport 'De Uitdaging van Ontwikkeling' naar de resultaten van 1200 projecten die zij de afgelopen twintig jaar in ontwikkelingslanden had geëntameerd. Wat bleek? Die projecten schoten het best wortel in landen die de zogeheten 'economic fundamentals' voor elkaar hadden. Dat wil zeggen: lage inflatie, evenwichtige begroting, realistische prijzen en wisselkoers, goede marktwerking, gegarandeerd eigendomsrecht, bestuurlijke stabiliteit, hoge besparingen en investeringen in onderwijs en infrastructuur.

Vorig jaar kwam de Wereldbank in haar eerder genoemde studie over Oost-Azië tot identieke conclusies. Hoewel de acht economische 'supersterren' aldaar uiteenlopend overheidsbeleid voerden en verschillende gradaties van overheidsinmenging kenden - van verregaand in Zuid-Korea tot nihil in Hongkong - hadden zij één ding gemeen: zij hadden hun 'economic fundamentals' prima voor elkaar. Daarom de wat gewijzigde vraag: Zijn autoritaire regimes meer dan democratische regeringen in staat deze 'economic fundamentals' te realiseren?

In een interview met The Economist zei Singapore's langjarige premier en 'vader des vaderlands' Lee Kuan Yew in 1991: “Ik denk dat democratie niet bijdraagt aan snelle economische groei als je met een nog overwegend agrarische maatschappij te maken hebt”. Volgens Lee vereisen de pijnlijke offers die nodig zijn voor landhervorming, kapitaalaccumulatie en industriële ontwikkeling een sterk bestuur op straffe van chaos en/of stagnatie.

Dat oordeel wordt gedeeld door prof. Robert Wade van Princeton University die in zijn boek over Taiwan en Zuid-Korea ('Governing the Market') argumenteert dat als een ontwikkelingsland de sprong naar voortgaande economische groei wil maken, zijn regering in staat moet zijn om de druk van speciale belangengroepen te weerstaan. Volgens Wade is een autoritaire regering op dat punt beter uitgerust dan een democratische. Hij verwijst naar drie van Azië's grootste economische succesnummers - Japan, Taiwan en Zuid-Korea - waar de basis voor snelle en egalitaire ontwikkeling werd gelegd door radicale landhervormingen. Het vereiste krachtige regimes om die erdoor te drukken: dat van dictator Chiang Kai-shek in Taiwan, dat van sterke man Syngman Rhee in Zuid-Korea en dat van de Amerikaanse vijfsterren-generaal MacArthur in het na-oorlogse Japan.

Het aardige democratische regime dat de Amerikanen in 1945 op de Philippijnen achter lieten, miste de macht om z'n feodale grondbezitters klein te krijgen en betaalde daarvoor sindsdien een hoge prijs. En wat te zeggen van India waar de grootgrondbezitters al snel de onmisbare financiële poot van de regerende Congres-partij werden.

Maar al zijn er weinig aanwijzingen dat democratie in vroege ontwikkelingsstadia een probaat groeimiddel is, er zijn des te meer tekenen dat de door autocraten gerealiseerde economische groei uiteindelijk wel leidt tot politieke liberalisering en democratie. Logisch, oordeelt Lee Kuan Yew. “Als je een zeker niveau van industriële ontwikkeling bereikt, krijg je vanzelf een goedopgeleide arbeidskracht, een urbane bevolking, ingenieurs en managers. Je kunt dan blijven zeggen: ik ben de baas en ik draai de fabriek precies zoals ik wil. Wel, dan gaat je tent failliet. Het is niet mogelijk een modern bedrijf zo te runnen. Daarvoor is de participatie van een steeds beter opgeleide arbeidskracht nodig. Die participatie-noodzaak loopt onvermijdelijk over naar de maatschappij en de regering. Dan wordt een meer representatief politiek systeem ook onvermijdelijk”.

Opvallende voorbeelden van landen waar economisch succes sinds de latere jaren tachtig werd gevolgd door spectaculaire politieke liberalisering zijn Zuid-Korea en Taiwan. In het eerste land is de voormalige dissident Kim sinds 1992 gekozen president. In Taiwan heeft een vrij opererende oppositie nu vele lokale besturen en een fors deel van het nationale parlement in handen. Thailands sterk gegroeide middenklasse bleek in 1992 voor het eerst bereid en in staat om in de straten van Bangkok opstandige militairen te trotseren. Hun voornaamste wapen: de mobiele telefoon. Koloniaal Hongkong, dat een eeuwlang geen vertegenwoordigend bestuur kende, mag nu van zowel Britten als Chinezen democratiseren, al ruziën die nog over het tempo. Ook in Indonesië groeit de laatste jaren de druk om tot meer politieke openheid te komen.

Dit alles suggereert dat Azië's snelst groeiende autocratie - China - op afzienbare termijn eveneens op het democratiseringspad wordt gedrongen. Zbigniew Brzezinski waagt dat echter te betwijfelen omdat het reusachtige China zich veel minder gemakkelijk in een bepaalde richting zou laten dwingen dan kleinere naties als Taiwan en Zuid-Korea. Volgens Barry Wain van The Asian Wall Street Journal ziet hij daarbij over het hoofd dat de politieke liberaliseringsprocessen in Azië tot nu toe voornamelijk het gevolg waren van interne dynamiek en veel minder van Westerse druk.

Toch wenst Brzezinski geen risico te nemen met de aspirant-supermacht China. Dus blijft hij fel pleiten tegen 'uitstel' van democratie ter bevordering van economische groei en oordeelt hij dat beiden gelijktijdig het licht moeten zien. Er is inderdaad een land dat dit probeert, namelijk China's grote buurman Rusland. Maar in dat droeve land, waar vitale staatsinstellingen als president, parlement en centrale bank vechtend over straat rollen, kromp de economie vorig jaar met 12 procent terwijl die in China groeide met 13 procent.

Dat snelle economische groei in China op termijn zal leiden tot een liberaler politiek klimaat staat niet vast, maar ligt gezien de overige ervaringen in Azië in de verwachting. Dat de Russische poging tot democratie kan overleven in een klimaat van constante economische aftakeling is minder waarschijnlijk.

    • Ferry Versteeg