De tolerantie moet geholpen worden

Wat is de taak van de overheid bij de bestrijding van armoede, racisme en discriminatie? Hoe kunnnen achtergestelde groepen tegelijkertijd worden gesteund, en ook mondig en autonoom worden gemaakt? Hoe kan worden voorkomen dat een nieuwe onderklasse ontstaat, waarbij eenderde van de samenleving zonder werk komt te zitten en buiten de samenleving komt te staan?

Socioloog C.J.M. Schuyt gaat vandaag in de eerste H.W. van Doorn-lezing op deze vragen in. Hij spreekt zijn lezing uit ter gelegenheid van het tienjarig jubileum van het Nederlands Centrum Buitenlanders.

De bekorte tekst van de rede drukken wij hier af.

In 1974, één jaar na de eerste oliecrisis, bracht het toenmalige kabinet Den Uyl twee belangrijke, op emancipatie van burgers gerichte nota's uit. De Contourennota van minister van Kemenade en de Knelpuntennota van minister H.W. van Doorn. De Contourennota stelde aan de orde de mogelijkheden om individuele ontplooiing, voorheen vooral een zaak van ouders en particuliere opvoeders, zo veel mogelijk voor zoveel mogelijk leerlingen ook via de school te bevorderen. De tot dan meestal gescheiden lijnen van maakbaarheid van de samenleving, een zaak van economen en planningsdeskundigen, en van zelfontplooiing, vooral een zaak van pedagogen en psychologen, kwamen daar bijeen. Misschien dat door de combinatie van die twee lijnen ook meteen het verzet tegen beide verhevigd werd.

De Knelpuntennota bracht op het welzijnsterrein een overzicht van alle moeilijkheden die een fundamentele democratisering van de samenleving in de weg zouden staan. De nota nam als uitgangspunt het bevorderen van een ontspannen samenleving. Wat mij achteraf het meest frappeert zijn niet het optimisme en idealisme - dat is immers heden ten dage in andere vorm nog steeds waarneembaar en even hard nodig - maar het begrip 'knelpunten'. Andere nota's op andere terreinen brachten eveneens knelpunten in kaart. De metafoor van knelpunten en bevrijding is opvallend. Als er nu nog iets bevrijd moet worden dan is het vooral uit de handen van de overheid.

Zou men anno 1994 een nota uitbrengen, gewis dat dat een Knuffelpuntennota zou worden. Een lange lijst van punten, waarin men vindt dat de overheid te vertroetelend is opgetreden of haar burgers te zeer verwend heeft, te vlug en te veel subsidies heeft uitgereikt. Vooral op het terrein van de minderheden gaan er stemmen op die beweren, dat de overheid met haar beleid de minderheden heeft doodgeknuffeld. Die stemmen waren misschien bedoeld als stemmingmakerij, maar de vraag is terecht welke balans de overheid moet trachten te vinden in het bewerkstelligen van emancipatie en zelfstandigheid. Mensen mondig en autonoom maken door hen bijna elke mogelijkheid tot zelfwerkzaamheid en het vinden van eigen kracht te ontnemen, is een paradoxale opgave, die men in veel werk en beleid ten aanzien van maatschappelijk achtergestelde of achtergebleven groepen herkent. Het is een actuele kwestie als men kijkt naar de manier waarop asielzoekers geholpen moeten worden zich een plaats te verwerven in onze samenleving. Minder vertroeteling, minder steun, ook in financiële zin, meer zelfwerkzaamheid en eigen vermogens, zou best een aantrekkelijke optie zijn, mits men een cruciaal gegeven in het vizier houdt. Dat is het zelfrespect en de dynamiek hiervan, die maakt dat veel personen uit de laagste sociale klassen, uit etnische minderheden of gediscrimineerde groepen vaak niet in staat zijn iets van zelfrespect te ontwikkelen. Zelfrespect is een noodzakelijke schakel in het vervolgens op eigen kracht verder gaan. Sommige hebben een klein zetje nodig om zelfstandig hun weg te vinden. Zonder zo'n steuntje, in welke vorm dan ook, blijft men in een vicieuze cirkel ronddraaien van armoede, discriminatie, racisme en vernedering.

In welke mate heeft de overheid een taak bij het bestrijden van armoede, racisme en discriminatie? Het fundamentele recht van een ieder op een bestaan, het recht om behandeld te worden als 'a human being' met de capaciteit tot autonomie is het voor onze samenleving en cultuur moreel-juridische motief voor de bestrijding van armoede, racisme en discriminatie.

Men kan ook een economisch motief aanhouden voor armoede en racismebestrijding, bijvoorbeeld door te erkennen dat de vele onbetaalde rekeningen van armoede, vernedering en discriminatie, in de vorm van veelvuldige en harde criminaliteit of druggebruik, vooral onder jongeren, zo hoog worden, dat interventie gewenst is. Er zijn inderdaad vele economische argumenten voor het welbewust verhinderen dat er in onze samenleving een langs etnische lijnen gekleurde onderklasse zou kunnen gaan ontstaan.

Ik veronderstel dat we weten wat onder de zo langzamerhand ingeburgerde term multi-culturele samenleving verstaan wordt. Dat is een samenleving waar verschillende culturen elkaar ontmoeten, op elkaar botsen, van elkaar kunnen leren of elkaar naar uithoeken of op de achtergrond proberen te duwen. 'Smeltkroessamenleving' wordt ook vaak als term gebruikt. Een voorbeeld hiervan is de Amerikaanse samenleving, die na 1870 veel immigrantengroepen heeft binnengelaten. Elke groep heeft zich een weg gebaand door die immens grote samenleving van nu 250 miljoen mensen, met minderheden, die afzonderlijk groter in aantal zijn dan alle inwoners van Nederland bij elkaar. Men vindt er een mengelmoes van etnisch en cultureel heterogene groepen, waarvan er vele aanvankelijk werden gemeden en niet altijd even welkom waren: eerst kwamen Italianen, Polen, Zweden, Hollanders, Ieren, Duitsers, later Russen, weer later Duitsers, nu gevlucht voor het nationaal-socialisme. Vooral aan de Westkust van Amerika kwamen Japanners, Indonesiërs, Chinezen, Koreanen. Een multi-culturele samenleving? Ja, maar tegelijkertijd bestond daar openlijke rassendiscriminatie voor de zwarte inwoners van Amerika en werden de oorspronkelijke inwoners, de indianen, naar reservaten verwezen en in het dagelijkse leven gediscrimineerd. Een sociale samensmelting van culturen kan (dus) heel goed samengaan met blijvende patronen van discriminatie op basis van ras en huidskleur. De multi-culturele samenleving is niet goed an sich, maar moet dat worden door de gemeenschappelijke wil van met elkaar levende groepen.

Het is merkwaardig dat op dit moment de term multi-cultureel in Amerika een beetje verdacht is. Het verschijnsel roept daar vragen op onder andere wegens het cultureel relativisme en de excentrieke bedoelingen van sommige minderheidsgroepen, die in het kader van hun emancipatie het liefst alle banden met de dominante cultuur zouden willen lossnijden, vooral op cultureel gebied. Ook het taalgebruik - welke woorden mogen we nog wel en niet politiek correct gebruiken - en de vrijheid van meningsuiting als klassiek grondrecht moet het ontgelden in de extreme pleidooien van de multi-culti's voor raciale bewustwording.

Diezelfde term wordt daarentegen in Nederland nog als een lokroep van verdraagzaamheid gebezigd, iets waar we naar toe moeten groeien en waarvan we de soms harde consequenties op het gebied van onderwijs, taal, de verdeling van de arbeidsplaatsen moeten aanvaarden.

Het voorbeeld van Amerika wijst dus op de noodzaak van zorgvuldig omgaan met begrippen, termen, gebruikte woorden en oude klassieke rechten, die kunnen botsen met moderne en nieuwe wensen. Wat is het verschil tussen racisme, rassendiscriminatie, andere vormen van discriminatie, etniciteit, multiculturalisme?

Wetenschappelijk gezien is racisme een problematische term. Het onstond in de 16de eeuw in Europa, toenmalig centrum van liberalisme en beschaving, en de term is vooral door het 19de eeuwse kolonialisme verspreid, waarbij men de bewoners van oorspronkelijke gebieden ging classificeren volgens hun uiterlijk of 'ras'. Wetenschappelijk gezien zijn er geen objectieve gronden om verschillende rassen te onderscheiden. Er is maar één ras, als men toch die term wil gebruiken, het menselijke ras. Van racisme is sprake als men de natuurlijke superioriteit claimt van een ras, het blanke, het Germaanse, boven andere, die men eerst afzonderlijke negatieve eigenschappen - meestal sociale en psychologische - heeft toegekend.

Discriminatie is vooral een handelingspatroon: een systematische benadeling van individuele personen die tot een bepaalde groep horen of tot die groep gerekend worden, zelfs als men zich dat niet bewust is of zelfs helemaal niet wil. Misschien wel de essentie van discriminatie is dat een individu wordt beoordeeld en behandeld uitsluitend op grond van dit groepskenmerk.

Directe discriminatie is zichtbaar - en is nu ook strafbaar. Het gaat om uiterlijke en duidelijke handelingen, niet om gedachten of gevoelens. De grens tussen denken en doen is soms moeilijk te zien, maar het blijft van belang om die grens wel in de gaten te houden.

Indirecte discriminatie echter is moeilijker zichtbaar: in een advertentie vraagt men om een directeur, die een lange ervaring heeft in leiding geven. Vrouwen hebben in zo'n situatie minder kans uitgekozen, omdat op indirecte wijze wordt geselecteerd op eigenschappen of kenmerken waarvan men weet dat die meer aanwezig zijn bij de ene dan bij de andere groep. Voor een koeriersbaan of een chauffeursbaan wordt geëist dat men uitstekend Nederlands spreekt. Exit de nieuwkomers, die de taal nog niet volledig beheersen.

Kortom: de relatie tussen indirecte en directe discriminatie is heel vloeiend en men zou misschien kunnen zeggen, dat indirecte discriminatie, juist omdat het zo subtiel en ogenschijnlijk op objectieve eigenschappen gebaseerd is, veel moeilijker te bestrijden is. Het vereist een lange mars door instituties en de verandering van mentaliteiten en denkbeelden.

Institutionele discriminatie, ook wel institutioneel racisme genoemd, is de overtreffende trap van discriminatie: enerzijds nog minder opgemerkt, hetgeen niet hetzelfde is als onzichtbaar, anderzijds veel meer met onze alledaagse vanzelfsprekendheden en ingeslepen, verknoopt. Waarom zijn er bijna geen tentoonstellingen van allochtone kunstenaars? Waarom zijn er heel weinig allochtone studenten in de hoogste onderwijsvormen? Omdat zij niet mooi kunnen schilderen of niet mee kunnen komen in de klas? Vraagtekens bij omschrijvingen van goed, mooi, voldoende, uitstekend, worden niet gezet. Een begin van twijfel aan de juistheid van onze smaak voor kunst, onze oordelen over intelligentie of onze tolerantie voor een niet geheel juiste uitspraak van de ons bekende woorden en klanken, is nog niet aanwezig. Institutionele discriminatie is niet strafbaar, is moeilijk op te sporen en te bestrijden. De bestrijding er van vergt een cultureel aanpassingproces, niet uitsluitend aanpassing van de nieuwkomers of de laatbloeiers of de achterblijvers of de buitenstaanders, maar juist van de leden van de dominante cultuur of de dominante groep. De bestrijding er van vergt kortom een multi-culturele samenleving.

De voorwaarden voor een multi-culturele samenleving kunnen in drie punten worden samengevat: discriminatie, deelname en dominantie.

het tegengaan van discriminatie, dus het nemen van anti-discriminatiemaatregelen, veelal juridisch van aard;

het bevorderen van deelname aan schaarse goederen en instellingen zoals school, werk, kerk, verenigingen en vergaderingen, aan politieke leven, dus veelal economisch-maatschappelijk van aard;

het veranderen van de dominante cultuur zodanig dat die dominante denkbeelden niet meer tot discriminerend handelen aanzetten of aanmoedigen en de vergroting van de deelname normaal gaan vinden.

Een multi-culturele samenleving vraagt een metamorfose van de cultuur als geheel, niet slechts de zuinige aanpassing van een minderheidsgroep aan het meerderheidsoordeel. Toch bergt een multi-culturele samenleving het gevaar in zich dat zij in onverschillige culturele eilandjes uiteenvalt. De gevaren van deze tendens kan ik het beste aangeven door het multi-culturele te contrasteren met het uni-structurele. Er is maar één toonaangevende maatschappelijke structuur: de structuur van de arbeidsmarkt, de structuur van het schoolsysteem, van de woningverdeling verbindt noodzakelijkerwijs alle multi-culturele eilandjes aan elkaar. Om de ernst van de huidige situatie waarin vele etnische groeperingen in Nederland verkeren aan te geven is de term multi-culturele samenleving eigenlijk een veel te lieve, want te veel verdoezelende term. Het legt te weinig nadruk op de harde structurele kern. De onverschilligheid van het out of sight, out of mind van het multi-culturalisme leidt binnen één maatschappelijke structuur gemakkelijk tot ruimtelijke segregatie, een mooi woord voor gettovorming in onze grote steden.

Een van de paradoxen van de huidige westerse samenlevingen is een sterke herleving van een individualistische, prestatiegerichte ethiek in een periode waarin een structurele werkloosheid is opgekomen. Werkloosheid wordt meer en meer toegeschreven aan individuele eigenschappen (te weinig ijver of inzet, te laks zoekgedrag). Werkloosheidsbestrijdingsprogramma's dragen daar sporen van. Veel nadruk op individueel trajectmanagement, minder nadruk op het scheppen en herscheppen van industriële werkgelegenheid, vooral voor lager geschoolden. De herleving van deze prestatie-cultuur komt dus op een moment dat er voor een groot deel van de bevolking, onder andere door inadequate scholing, helemaal niet zo veel te presteren valt.

Op het terrein van de criminaliteit, vindt men een soortgelijke paradox: in een tijdperk van structurele veranderingen en snel oplopende criminaliteitscijfers in alle Europese grote steden verklaren twee vooraanstaande Amerikaanse criminologen, James Q. Wilson en R. Hernnstein, deze crime-waves voornamelijk uit niet-sociale, maar persoonlijke en individuele eigenschappen. Omdat vooroordelen over die eigenschappen bij leden van etnische minderheden vrij groot zijn, bestaat er een gemeenschappelijke tendens in de publieke opinie om deze individualistische analyses na te bootsen. Structurele veranderingen in onze samenleving hebben individuele prestaties en individueel wangedrag weer helemaal opnieuw onder de aandacht gebracht.

De Brits-Duitse socioloog Dahrendorf brengt deze thema's, langdurige werkloosheid, vooral onder jongeren en criminaliteit, wederom vooral onder jongeren, met elkaar in verband in zijn analyse van de naoorlogse verzorgingsstaat. Zijn stelling is dat de Europese verzorgingsstaten aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van een nieuwe onderklasse.

Hij relateert deze klasse direct aan de afwezigheid van werk voor een grote groep van de jongeren. Hij schat die groep op ongeveer eenderde van de toekomstige bevolking. Hij waarschuwt tegen een scherpe verdeling in de samenleving: een derde van de bevolking loopt het gevaar gedegradeerd te worden tot een tweederangsburgerschap, zonder werk, zonder politieke en sociale participatie, en met een meer dan gemiddelde kans om betrokken te raken in criminele activiteiten, hetzij als dader hetzij als slachtoffer. De scheidslijn van deze nieuwe onderklasse, gaat langs kleur en etniciteit. De geografische lokatie zijn de binnenwijken van de grote Europese steden. Hij beschrijft deze situatie met het klassieke sociologische begrip 'anomie', een toestand van normloosheid, waarin normschendingen niet eens meer worden gesanctioneerd.

Anomie wordt ook gekenmerkt door het bestaan van no-go area's: sociale en geografische wijken waar mensen leven als ware het in een vrijzone, waar de politie niet meer controleert en waar niets meer schijnt te werken en niemand meer schijnt te werken. Sommige verpauperde wijken in Rotterdam, Amsterdam, Parijs, en London geven het voorbeeld, dat eerder al was gegeven door de grote Amerikaanse steden. En al die steden verschillen nog maar in weinig opzicht van de vele verpauperde steden in de Derde wereld. Ook daar ziet men het opvallende samengaan van prachtige nieuwe gebouwen en glimpaleizen voor de nieuwe rijken op een steenworp afstand van no go area's van de nieuwe armen.

Dahrendorfs beschrijving van de no-go area's lijkt me nog een beetje overdreven, zeker voor Nederland, maar zijn waarschuwing voor de komst van een etnisch bepaalde Europese onderklasse, met de daaraan gerelateerde verschijnselen als xenofobie, etnische conflicten en rassewaan, moet serieus genomen worden.

Dahrendorf legt vooral de nadruk op normen en waarden-herstel en hij besteedt weinig aandacht aan de werking van het hedendaagse economische systeem, de plaats van de arbeid en de werking van de arbeidsmarkt. Ook scheert hij de langdurig werklozen en vooral de jongeren onder hen te snel over één kam.

Sommigen van de langdurig werklozen hebben een ondernemende instelling. Ze zijn niet zozeer afwijkend van de anderen, maar als men met een uitkering wat meer wil dan afwachten, loopt men in ons systeem het gevaar moreel en juridisch veroordeeld te worden. Andere werklozen blijven daarom maar passief afwachten. In deze blijvende passiviteit vooral liggen de gevaren van een langdurig verstoken blijven van een permanente band met de arbeidsmarkt en met de samenleving. Dit is de definitie die William Julius Wilson in zijn boek The truly Disadvantaged (1989) aanmerkt als een kenmerk van een onderklasse: leden van die klasse hebben geen enkele vaste relatie meer met de arbeidsmarkt en zij dragen deze permanente afwezigheid van een band over op de volgende generatie. In de VS vindt men deze onderklasse in de geografisch bepaalde getto's, waar geen werk meer is en waar volgens de overtuigende analyse van Wilson juist de geslaagde leden van etnische minderheidsgroepen zijn vertrokken. Hierdoor zijn ook vele morele en maatschappelijke voorbeelden voor de jongeren, hun rolmodellen, van geslaagde familieleden en bekenden en dus van kansen op maatschappelijke verbetering uit het zicht verdwenen: maar nu in een nieuwe betekenis: men gelooft niet eens meer ooit iets anders te kunnen dan vluchten in drugs, drughandel en grote en kleine criminaliteit.

Op zijn bezoek aan Nederland constateerde Wilson dat van getto's in zijn betekenis in Nederland nog geen sprake was, maar de gemeenschappelijke en enigszins verontrustende ontdekking was wel dat het Nederlandse uitkeringssysteem hier functioneerde als een sociologisch equivalent van een getto. Een sociaal getto bij wijze van spreken, waarin leden van de kleur bepaalde onderklasse nauwelijks meer een serieuze relatie met de arbeidsmarkt konden aangaan. Het probleem van een onderklasse in Europa is in deze zin nog niet het probleem van extreme armoede, zoals in Amerika, maar het ontstaan van een permanente claiming class, waarvan de leden gedoemd zijn te leven in een permanente staat van staatsafhankelijkheid en altijd hun hand op moeten houden. Uit het oogpunt van emancipatie en zelfrespect en over de gespannen relatie tussen afhankelijkheid en zelfwerkzaamheid is deze situatie inderdaad alarmerend. Niet uitsluitend uit economische overwegingen van maatschappelijke kosten en niet- benutting van menselijk kapitaal, maar juist ook uit overwegingen van moreel fatsoen.

Veel mensen in onze samenleving zijn overbodig gemaakt, dat wil zeggen niemand vraagt hen meer iets. Het voorkómen van een onderklasse in Nederland zal derhalve het probleem van de arbeid en de arbeidsmarkt op een inventievere wijze moeten aanpakken dan tot nu toe gedaan is. De passiviteit die men afzonderlijke werklozen en leden van etnische minderheden aanrekent, wordt net zo sterk weerspiegeld bij werkgevers en de overheid.

Hoe zou men nu deze ban van drievoudige passiviteit, bij overheid, werkgevers en uitkeringsgerechtigden kunnen doorbreken?

Welk beleid moet worden gevoerd? Categoriaal beleid, inclusief vormen van positieve actie, leidt tot het benadrukken van de positie van (etnische) minderheden en kan leiden tot onvoorziene weerslag en weerstand. Algemeen beleid leidt meestal tot een bevestiging of versterking van verborgen of indirecte discriminatie en werkt dus juist tegen het belang van minderheden. Ik concludeer dat beide soorten gewenst zijn: algemeen beleid, aangevuld met specifiek beleid voor specifieke doelgroepen, afgebakend naar specifieke tijdsduur. Opdat de zelfwerkzaamheid en de reële kans op zelfrespect, alle kans krijgt . Essentieel echter in deze koppelkeuze is de keuze voor een gedurfd en bewust gewild algemeen werkgelegenheidsbeleid.

Het economisch-structurele probleem in onze samenleving, waardoor ook de positie van etnische minderheden slechter is dan noodzakelijk, is de overbodigheid van veel traditionele handarbeid, havenarbeid, lopende band werk. De produktie van grootschalige stukgoederen is ofwel volledig gemechaniseerd ofwel naar elders verplaatst. Men kan dit ook zien als een gedeeltelijke verplaatsing van welvaart. Als we spreken van laaggeschoolde arbeid - en etnische groepen worden nog gekenmerkt door onevenredig veel laaggeschoolden - maken we te weinig onderscheid tussen de verdwenen ouderwetse fabrieksarbeid en de nog steeds nodige dienstverlening, zorgverlening in vele vormen en maten, die ook geen volledige scholing vereisen en die niet gemechaniseerd kunnen worden of geëxporteerd.

De eerste vorm van arbeid is misschien voorgoed voor het westen verloren aan de goedkopere Oost-Europese of Aziatische landen. Maar de tweede vorm zou wel degelijk voor veel werklozen hersteld kunnen worden. Een generiek beleid, zoals Jan Pen voorstelde in de Drees-lezing van 1990, namelijk een drastische verlaging van de bruto-kosten van alle laagstbetaalde arbeid. Met behoud van ongeveer de huidige nettobedragen. Dat kan door de afschaffing van de heffing van inkomstenbelasting en premieheffing op bijvoorbeeld de eerste ƒ 2000,- per maand. Dit zou een enorme structurele impuls kunnen geven aan het leveren van zorgzaamheid, bedrijvigheid, veiligheid. Dus weer conducteurs op alle trams, conciërges en koffiemeneren op alle scholen teruggebracht, niet als tijdelijke banenpoolplaats, maar als een gewone, noodzakelijke baan binnen alle organisaties.

Deze maatregel vereist wel een duidelijke politieke wil op macro-niveau, die de afgelopen vier jaar ontbroken heeft. Er is veel werk verricht in het teken van sociale vernieuwing op lokaal niveau, op categoriaal niveau ten aanzien van de positieverbetering van minderheden, maar veel van deze specifieke beleidsvormen zijn gefrustreerd door de afwezigheid van maatregelen van macro-structurele aard. Bij een combinatie van generiek en specifiek beleid krijgen de plaatselijke initiatieven veel meer kans.

Ik heb de hierbedoelde bedrijvige zorg-en veiligheidsactiviteiten elders eens 'conviviale' arbeid genoemd, naar een van de politieke geschriften van de grote dichter Dante Alighieri Convivium. Deze arbeid staat niet uitsluitend in het teken van economisch nut of winst, maar simpel in het teken van zichzelf opgelegde verantwoordelijkheid, verwantschap, de wil tot samenleven, tot verhoging van de levensvreugde. Al dit conviviale werk wordt nu onder precies hetzelfde financieel-economisch juk gebracht als economisch nuttige arbeid, maar het is een verregaande culturele verarming indien onze westerse samenleving de kunst van het samenleven in deze zin zou afleren, alleen omdat maar één soort arbeid wordt erkend en berekend. Trouwens vele etnische culturen die in Nederland aanwezig zijn hebben deze conviviale vormen nog niet verleerd en kunnen daarmee een enorme revitalisering van onze manieren van doen brengen. Dit onderwerp brengt mij op de tolerantie, de kunst van het samen-leven

Wie iets wil zeggen over de toekomst van de tolerantie moet haar geschiedenis kennen. De befaamde Nederlandse tolerantie ontstond in de zeventiende - sommige schrijvers beweren al in de zestiende eeuw - met de komst van veel buitenlanders naar Holland en met de verdeeldheid naar religie. In oorsprong is tolerantie religieuze tolerantie. Tegenwoordig gaat het echter vooral om een meer sociaal ingevulde tolerantie en de vraag die ik wil stellen is welke analoge lessen getrokken kunnen worden van de religieuze tolerantie van vroeger dagen naar de verdraagzaamheid van vreemde gewoonten en praktijken in eigen land. Tolerantie begint thans in het trappenhuis, waar buren van ver elkaar elke dag tegen komen.

Elkaars opvattingen, hoe vreemd of verschillend ook moeten gerespecteerd worden, niet per se overgenomen of toegejuicht. We hoeven niet alle gewoonten van andere culturen mooi te vinden, als we hen maar de ruimte geven: een ruimte om op hun manier te bidden, te leren, te wonen, te creëren en te recreëren.

Tolerantie ontstond in de zeventiende eeuw als een middel om de schier onoplosbare godsdiensttwisten en godsdienstoorlogen tot bedaren te brengen. De kwestie was deze: wat was de juiste uitleg van Gods woord? Omdat daar zoveel verschillende uitleg en interpretaties aan werd gegeven, werd het steeds moeilijker om personen en groepen met een andere uitleg dan de eigen te verketteren, op de brandstapel te gooien of te verbannen. Men duldde elkaar en die uitdrukking geeft al aan dat tolerantie samenhangt met iets verdragen dat men eigenlijk niet graag ziet of hoort, maar waarvan de bestrijding groter kwaad oplevert dan het dulden. Tolerantie heeft zo een praktische en een principiële grondslag. De praktische kant ervan lijkt nog het meest op een modus vivendi. Men verdraagt elkaar, men aanvaardt een minimum aan consensus om erger te voorkomen.

De principiële grondslag van verdraagzaamheid gaat veel verder en die zou ik wederzijds respect willen noemen - basis ook voor het verwerven van zelfrespect. Wederzijds respect komt voort uit het onderdrukken van de neiging om anderen te onderdrukken, wanneer die zich in onze ogen verkeerd, afwijkend, slecht verdragen. Het beheersen van deze neiging tot onderdrukken lijkt mij een belangrijke beschavende werking te hebben. Men wil de anderen tot andere gedachten brengen, tot een andere levenswijze. Niet door het zwaard, maar met het woord. Deze houding is gebaseerd op de overtuiging dat een overtuiging, welke dan ook, slechts vrijwillig kan worden aangehangen.

Nu wordt ook wel eens het aanvaarden van variëteit en diversiteit, van alle mogelijke uitingen en levenswijze gezien als onderdeel van tolerantie. Sommigen bepleiten tolerantie door met kracht elke diversiteit te verwelkomen: hoe meer zielen hoe meer vreugde. Een samenleving wint aan veelkleurigheid en aan een veelheid van levensstijlen. Het verwelkomen van dergelijke diversiteit is toch wat anders dan het aanvaarden ervan. De positieve houding jegens 'het andere' onderscheidt het van tolerantie dat altijd een element moet bezitten van verdragen of aanvaarden wat je zelf liever niet ziet, hoort of zelf zou willen bevorderen. We verdragen op deze manier in de moderne samenleving eigenlijk ongelooflijk veel: de slechte gewoonten van onze huisgenoten, de slechte adem van de buurman, de vreemde geuren op de trap, de zware drink-of rookgewoonte van sommige van onze collega's, de stuitend kinderachtige en schreeuwerige reclameboodschappen op radio en televisie, etcetera.

Dulden wordt zo een deugd, maar het heeft een grens: als het kwaad dat men duldt zo groot wordt dat het onverdraaglijk wordt, is het nadeel van de bestrijding van dat kwaad minder groot dan het ergere kwaad. Tolerantie staat dus geenszins gelijk met alles maar goed vinden of met cultureel relativisme, waar iedere cultuur het zijne krijgt toebedeeld.

Multi-culturalisme staat op dit moment in de Verenigde Staten in de kwade geur vanwege dit cultureel relativisme: je mag niets meer zeggen van andere gewoonten, opvattingen en handelswijzen, hoe veel leed en kwaad die ook kunnen berokkenen. Tolerantie trekt dus een grens. Tolerantie houdt daar op waar hetgeen niet (meer) verdragen kan worden, ook niet meer uitsluitend met overreding kan worden gestopt.

Maar dit betekent tevens dat voor een discussie over de multi-culturele samenleving tolerantie niet de beste ingang is. Ruimte laten en ruimte scheppen voor een andere godsdienstige opvattingen is niet hetzelfde als het verdragen van een andere etnische groepering. Je verdraagt een etnische groepering niet, want die is er gewoon en heeft recht van bestaan.

Als maatschappelijke deugd heeft tolerantie een belangrijke functie, die koningin Beatrix in haar kersttoespraak treffend formuleerde: “Verschillen moeten we niet bestrijden; we moeten leren leven met verscheidenheid. Dit vraagt tolerantie en het vermogen eigen beperkingen te overwinnen”. Tolerantie heeft de nuttige mogelijkheid om op moeilijke en als moeilijk ervaren situaties te reageren met een graad van flexibiliteit, die andere begrippen niet hebben.

De maatschappelijke werkelijkheid is complex. Vanwege deze complexiteit moet de kunst van het samenleven, die tolerantie heet, een beetje geholpen en aangeleerd worden. De toekomst van de tolerantie in een multi-culturele samenleving is het best gegarandeerd indien:

er voldoende en voldoende eerlijke kansen zijn voor leden van alle groeperingen op deelname in het onderwijs, in de arbeid en in conviviaal werk, in andere maatschappelijke verbanden. Deze eerlijke kansen worden het meest bevorderd door zowel een arbeid scheppend generiek beleid als aanvullende speciale programma's waaronder zeer specifiek gerichte en tijdelijke programma's van positieve actie;

een overtuigd cultureel pluralisme wordt nagestreefd; onze samenleving en onze democratie laten zich nu het beste karakteriseren als een pluraliteit van minderheden. Bij dit pluraliteit hoort in essentie dat er geen ideologisch stelsel, geen normen-en waardepatroon geen godsdienst of levensbeschouwing als de enig juiste wordt opgedrongen aan leden van de samenleving 'van andere huize'. Een principiële pluraliteit van opvattingen is de culturele pendant van de structuur van minderheden.

andere opvattingen, opinies en levenswijze worden aanvaard als consequentie van dit pluralisme; maar deze aanvaarding kent wel haar grenzen, die gemarkeerd worden door het toebrengen van lichamelijk leed en letsel. Waar mensen en mensenlevens gevaar lopen, past geen culturele berusting om der wille van de lieve vrede. Om die grens niet te snel te bereiken is ook de volgende voorwaarde van belang.

een traditie van vreedzame conflictbeslechting bewust wordt onderhouden en gecultiveerd, niet alleen in de politiek, maar reeds vanaf het begin van de opvoeding; een gewelddadige opvoeding waar kinderen aan geweld worden blootgesteld of veel voorbeelden van geweld zien, is een van de slechtste voorwaarden voor een multi-culturele, verdraagzame samenleving. Het met elkaar oneens zijn en toch niet met elkaar op de vuist gaan. Hier ligt een speciale taak voor allerhande multi-culturele organisaties. Opvoedingspatronen van culturele minderheidsgroepen, waar geweld jegens vrouwen en kinderen wordt aanvaard, zouden net als de institutionele gewelddadigheid van de dominante cultuur zoveel mogelijk moeten worden afgebroken, verminderd en ten minste in twijfel getrokken.

De toekomst in Nederland is onzeker, niet in het minst voor buitenlanders die hier woonachtig zijn en een bestaan hebben opgebouwd of willen opbouwen. Zoals de stad Oran voor de schrijver Albert Camus de pest van de Tweede Wereldoorlog symboliseerde, zo symboliseert de belegering van de stad Serajevo nu de pest van de naoorlogse aanvallen op de multi-culturele samenlevingen. Aan ieder van ons wordt net als aan Dr. Rieux in La Peste de vraag gesteld wat we zullen doen als plotseling de poorten van de stad gesloten worden en we op een fatsoenlijke manier samen verder moeten.

    • C.J.M. Schuyt