Curatoren: Daf gaf in prospectus onvolledige informatie

ROTTERDAM, 21 APRIL. Het prospectus dat vrachtwagenproducent DAF in oktober 1991 publiceerde om voor 250 miljoen gulden nieuw kapitaal aan te trekken bij beleggers is op verschillende punten “niet geheel volledig” geweest. Deze conclusie trekken de curatoren van DAF in hun deze week verschenen rapport over de oorzaken van het faillissement van de truckproducent begin 1993.

Het bestuur van DAF is primair verantwoordelijk voor de inhoud van dit prospectus, meent mr. A. Deterink, een van de curatoren van DAF. De emissie werd gegarandeerd door een bankensyndicaat onder leiding van ABN Amro. Deterink is niet van plan juridische actie te ondernemen, omdat de belangen van de boedel niet geschaad zijn. Hij kan zich wel voorstellen dat beleggers actie ondernemen.

Over de aansprakelijkheid voor de inhoud van een emissieprospectus ligt al een zaak bij de Hoge Raad. In dat proces is ABN Amro gedaagd door een aantal beleggers die verliezen hebben geleden op obligaties Coop en claimen dat het prospectus niet deugde. De rechtbank en het gerechtshof hebben eerder uitgesproken dat de bank verantwoordelijk is voor het prospectus.

De belangenvereniging van beleggers, de VEB, noemt de conclusie van de curatoren over het DAF-prospectus “interessant”. De VEB beraadt zich op stappen. Omdat de bulk van de preferente aandelen gekocht is door financiële instellingen die nauw bij de financiering van DAF waren betrokken, zoals ABN Amro zelf, ING en verzekeraar Aegon, denkt VEB-directeur mr. R. de Haze Winkelman dat het draagvlak onder beleggers voor actie vrij klein is.

De belangrijkste omissie in het prospectus is de informatie over de financieringsrelatie tussen de banken en DAF. De curatoren hebben een interne notitie aan de raad van bestuur van DAF achterhaald, waarin in september 1991 al werd aangegeven dat een van de financieringsafspraken met de banken in het derde kwartaal van 1991 doorbroken zou worden. Dat was uiterst pijnlijk voor DAF, omdat deze afspraak (over het handhaven van voldoende financiële ruimte voor rentebetalingen op kredieten) gloednieuw was en juist was gemaakt omdat DAF de oorspronkelijke voorwaarde ook niet kon nakomen. De banken hanteerden drie van zulke afspraken, zogenaamde financiële ratio's.

Het bestuur van DAF wist dat aan de ratio niet voldaan werd en dat er ook geen uitzicht was op verbetering. Bovendien zouden er vergaande consequenties zijn: ABN Amro had al schriftelijk verklaard dat de banken zekerheden voor hun miljardenkrediet gingen nemen als DAF niet aan de afspraak zou voldoen. Uiteindelijk schreef DAF in het op 9 oktober 1991 gedateerde prospectus dat rekening moest worden gehouden met het doorbreken van een van de ratio's. In november meldde DAF vervolgens aan ABN Amro dat alle drie ratio's doorbroken waren. De bank startte daarop direct voorbereidingen om de bezittingen van DAF in onderpand te nemen als zekerheid voor de kredieten.

De curatoren stellen verder dat het prospectus voor de preferente aandelen verwarrend was, omdat DAF alleen cijfers gaf over de industriële activiteiten maar niet het totaaloverzicht, inclusief de slecht lopende financieringsmaatschappij. Ook meldde DAF ten onrechte het bezit van gronden. Die waren echter geen eigendom van DAF zelf maar van een dochtervennootschap. Een “kennelijke vergissing”, menen de curatoren.

De curatoren merken verder op dat er na de plaatsing van de preferente aandelen nog een opmerkelijke dividendbetaling plaatsvond. DAF betaalde ondanks de ernstige verliessituatie over de laatste twee maanden van 1991 nog dividend uit. De curatoren opperen dat dit een verkapte rentebetaling was aan ABN Amro, die meer dan 5 procent van de preferente aandelen had.