Clintons ongeduldige industriebeleid

Profits Of Science: The American Marriage Of Business & Technology. Door Robert Teitelman. Uitgeverij: BasicBooks. Prijs: 23 dollar. ISBN 0-465-03983-9.

Uit het industriebeleid van de regering-Clinton spreekt niet echt een visie, zo constateert Robert Teitelman, redacteur van het tijdschrift Institutional Investor, in zijn boek 'Profits Of Science'. De Amerikaanse regering koestert dezelfde ambities als het Japanse MITI, een nationaal planbureau dat waakt over de industriële nijverheid, maar er is nog maar bitter weinig tot stand gebracht.

Toegegeven, de regering Clinton heeft zich sterk gemaakt voor de aanleg van de digitale snelweg, waarlangs tot in het oneindige kan worden gecommuniceerd, maar meer dan morele steun heeft Washington niet toegezegd. Wel viel het doek voor de elf miljard dollar kostende, reeds in aanbouw zijnde 'superbotser'. Aan fundamenteel deeltjesonderzoek zal geen cent meer worden gespendeerd. Nee, liever investeert de Amerikaanse overheid in projecten die inkomsten en vooral banen opleveren.

Teitelman kan dit maar moeilijk rijmen met het door president Clinton veelvuldig gepropageerde 'geduldig ondernemerschap'. Strategisch vooruitzien betekent juist investeren in fundamenteel onderzoek. Evenmin is Clinton erg duidelijk is over welke industriën hij wil steunen, groot of klein. Enerzijds worden strategische allianties aangemoedigd, anderzijds heeft de anti-monopolie-wetgeving ervoor gezorgd dat bedrijven niet goed durven samen te werken. Aan de ene kant steunt de regering innoverende starters, aan de andere kant worden prijsbeperkingen op geneesmiddelen overwogen, een maatregel die vooral jonge biotech-bedrijven zal treffen. Teitelman vindt dat de overheid zich beter zou moeten realiseren op welke wijze de Amerikaanse high tech-industrie wordt gefinancierd. Die industrie dankt zijn bestaan grotendeels aan verschaffers van risicokapitaal en beursspeculanten.

In zijn boek schetst Teitelman de chaotische ontwikkelingen in een aantal industriële sectoren (chemie, halfgeleiderindustrie, farmacie en biotechnologie) en de invloed die de geldmarkt daarop zou hebben gehad. Teitelman schrijft de ondergang van de Amerikaanse televisie-industrie toe aan kortzichtigheid van de elektronika-fabrikanten, die - onder druk gezet door Wall Street - niet wilden herinvesteren in nieuwe technologie. Beleggers zagen de televisie in de jaren zeventig als een aflopende zaak. Daardoor konden Japanse producenten hun produktie van draagbare televisies opvoeren en wisten zij een groot deel van de markt te veroveren.

De komst van risicokapitaal heeft volgens Teitelman de markten totaal veranderd. De chipindustrie werd met risicokapitaal tot bloei gebracht, maar het heeft deze markt ook verzwakt. De nadruk kwam steeds meer te liggen op het maken van winst, niet op lange termijn strategiën. Daardoor verloren de bedrijven in de jaren tachtig de greep op de markt voor geheugenchips. Toen het na het in elkaar storten van de effectenbeurs in 1987 het voor chipfabrikanten steeds moeilijker werd om aan kapitaal te komen en zij geld moesten lenen bij hun eigen klanten, werd het profijtbeginsel nog belangrijker. Volgens Teitelman verklaart dit ook de fascinatie voor het zogeheten 'virtuele bedrijf'. Door samen te werken met soms zeer gespecialiseerde toeleveranciers, behoeven bedrijven zelf niet langer in produktiefaciliteiten te investeren. Een gevaarlijke ontwikkeling, vindt Teitelman, want als de markten veranderen, stort zo'n kaartenhuis onmiddellijk in elkaar.

Ook de biotech-industrie kan niet zonder risico-kapitaal. De komeetachtige lancering van het bedrijf Genentech op de Newyorkse effectenbeurs in 1980 is nog altijd niet geëvenaard. Maar toen beleggers zich realiseerden dat niet alle commerciële beloften konden worden ingelost, kelderden de aandelen weer. Eind jaren tachtig was het geld om het peperdure onderzoek te financieren op en werd Genentech in de armen van de farmagigant Hoffmann-La Roche gedreven. Keer op keer blijken jonge industriën over weinig uithoudingsvermogen te beschikken.

Sommige Amerikaanse regeringscommissies zijn voorstander van wetgeving die geldspeculatie afremt en de banden tussen institutionele investeerders en bedrijven verstevigt. Als voorbeeld wordt de innige relatie genoemd die Japanse investeerders en de Duitse 'Grossbanken' met hun klanten onderhouden. Zij hechten meer belang aan groei en minder aan winst. Zij haken ook niet af als het een keer wat minder goed gaat. Teitelman is het met deze visie wel eens, maar zegt ook dat de onstabiliteit van high tech-markten niet volledig kan worden toegeschreven aan de korte blik van aandeelhouders en 'venture capitalists'. De markten zijn altijd al in beweging geweest, hetzij door technologische veranderingen, hetzij door globalisering, waarop Amerikaanse bedrijven wellicht onvoldoende voorbereid waren.

Hoewel Teitelman goed in de materie is ingevoerd - als voorstudie fungeerde onder meer zijn uitstekende boek over opkomst van de biotechnologie, 'Gene Dreams' - kan hij maar moeilijk tot duidelijke conclusies komen. Daardoor gaat men zich na lezing toch afvragen waarom dit boek eigenlijk geschreven moest worden.

    • Jan Libbenga