Claim in hasjproces voorlopig afgewezen

AMSTERDAM, 21 APRIL. De rechtbank in Amsterdam heeft de vordering van het openbaar ministerie (OM) van een half miljard gulden tegen de van grootscheepse drugshandel verdachte H. voorlopig afgewezen. Volgens de rechtbank is de claim onvoldoende toegelicht.

Dat bleek gisteren op de zevende dag van het proces waarin behalve H. ook zijn ex-vriendin en nog drie anderen terecht staan op verdenking van het smokkelen van zo'n 270.000 kilo hasj vanuit Pakistan naar Nederland en Canada.

Gistermiddag bleek dat H., die wordt beschouwd als hoofdverdachte, zich alsnog bereid toonde 'openheid van zaken' te geven. Tijdens eerdere zittingen had H. voornamelijk gezwegen. “Een vordering van een half miljard kan een mens tot andere gedachten brengen”, zo zei zijn raadsman P. Doedens.

Volgens de advocaat was het zijn cliënt “letterlijk en figuurlijk teveel” geworden. Tijdens een kort onderhoud confronteerde hij zijn raadsman gistermiddag met “nieuwe feiten en omstandigheden.” Daarop verzocht Doedens (“ik ben overrompeld door het gesprek”) de rechtbank de zitting te schorsen voor nader beraad met H. De rechtbank honoreerde dit verzoek.

Het OM heeft de vordering gebaseerd op de door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst FIOD berekende winsten van het syndicaat waarin H. een centrale rol zou hebben gespeeld. Het OM heeft nu de opdracht gekregen in een zogeheten schriftelijke voorronde een “onderbouwde conclusie van eis” ten aanzien van de vordering te produceren. Deze moet binnen acht weken aan de rechtbank en H. en diens raadsman worden voorgelegd.