Basisarts te breed

'In de artsopleiding wordt veel te veel geleerd aan veel te veel mensen. De opleiding kan aanzienlijk worden verkort, zes jaar is echt niet meer nodig.'

Dit stelt de Leidse chirurg prof.dr. H.A. Verbeek. Het onlangs gepubliceerde 'Raamplan 1994' van de vereniging van de Nederlandse universiteiten, waarin werd gepleit voor één landelijk artsexamen, ziet hij 'als een gemiste kans'.

Verbeek, zelf lid van de commissie die het raamplan opstelde, meent dat onvoldoende wordt beseft dat niemand meer de hele geneeskunde kan overzien. 'Het front van de geneeskunde wordt tegenwoordig gevormd door de subspecialismen. Er is geen mens die nog nog precies weet wat er in zijn eigen specialisme gaande is, laat staan elders in de geneeskunde.'

Hij vindt het onzin om, zoals de commissie deed, de eindtermen vast stellen door hoogleraren te vragen wat een arts bij zijn artsexamen allemaal moeten kennen en kunnen. 'Dat kunnen ze helemaal niet weten. Zo kreeg ik de lijst met kennis-items van de sociaal-geneeskundigen onder ogen en die stonden vol termen die ik zelf niet kende. En eenderde van de artsen werkt in een van de disciplines van de sociale geneeskunde.'

Wegingsfactor

'Als mij wordt gevraagd wat de aankomende arts-assistent moet weten en kunnen als hij morgen aan zijn vervolgopleiding tot chirurg begint, kan ik dat wel precies aangeven', aldus Verbeek. Hij vindt dat die eisen de basis moeten vormen voor het opstellen van de eindtermen voor het artsexamen. Maar dat is niet voldoende. Er moet ook worden gekeken voor hoeveel studenten die eisen spelen. 'Als maar een klein deel van de studenten kiest voor de specialismen waarvoor zo'n kenniseis van belang is, moet je het onderwijs daarvoor in de vervolgopleiding stoppen.'

Verbeek: 'Laat elk specialisme, en daar reken ik nadrukkelijk ook de huisarts toe, nu eens nauwkeurig en concreet omschrijven aan welke eisen een arts moet voldoen aan het begin van de vervolgopleiding in die discipline. Geef aan elk van die elementen een wegingsfactor die wordt bepaald door het percentage artsen dat in die discipline terecht komt. Als dan na optellen blijkt dat het bijvoorbeeld voor tachtig procent van de artsen bij het artsexamen van belang is een grondige kennis te hebben van een bepaald ziektebeeld, zodat ze dit kunnen diagnostiseren en behandelen, dan moet je dat in het basisprogramma opnemen. Maar als blijkt dat dit maar voor twintig procent van de toekomstige artsen geldt, moet je dat onderdeel in de vervolgopleiding stoppen. Dat heeft twee voordelen: je ontlast het basisprogramma, en je weet ook dat wanneer je het onderwijst, je dat doet aan gemotiveerde studenten. Want een eerstejaarsstudent die oogarts wil worden zal niet echt geïnteresseerd zijn in de ver uitgewerkte anatomie van de enkel. En de toekomstige orthopeed of chirurg, waarvoor dat wel van belang kan zijn, zal het grotendeels vergeten zijn wanneer hij vijf, zes jaar later aan zijn vervolgopleiding begint en die kennis nodig heeft.'

Over de hoogte van het percentage te schrappen onderdelen uit het algemene curriculum is volgens Verbeek discussie mogelijk. Hij denkt aan zestig procent. Maar het kan ook tachtig zijn als je besluit al vrij vroeg in de opleiding, bijvoorbeeld na twee jaar, te gaan differentiëren. 'Dan kun je denken aan differentiatie in hoofdrichtingen als chirurgisch, internistisch, sociaal geneeskundig.'

Die aanpak heeft veel voordelen, meent Verbeek. De opleiding tot het artsexamen kan aanzienlijk worden verkort en in veel minder dan zes jaar worden afgerond - al kan Verbeek nog niet precies aangeven hoeveel tijd er afkan. 'Bovendien wordt het onderwijs na de eerste jaren aan kleinere groepen, beter gemotiveerde studenten gegeven. Want iemand die chirurg wil worden is waarschijnlijk meer geïntereseerd in een college wondverzorging dan in een college waarin gedetailleerd de psychotherapeutische behandeling van een fobie wordt behandeld. En voor de student die psychiater wil worden zal het omgekeerde gelden.'

In de commissie kreeg hij voor zijn opvattingen 'helaas onvoldoende steun'. Studenten zijn niet enthousiast. 'Die zijn bang te vroeg te moeten kiezen. Maar dat hebben ze hun hele leven al moeten doen en waarom kan dat niet nog eens na een of twee jaar studie. Bovendien kunnen ze later, misschien ten koste van een half jaar tijdverlies, altijd nog omzwaaien. Daar staat tegenover dat efficiency en doelmatigheid van de opleiding veel groter wordenen dus voor de gemeenschap goedkoper.'

    • Quirien van Koolwijk