Arbeidsonrust Medan houdt aan, tienduizend werknemers in staking

MEDAN, 21 APRIL. De arbeidsonrust die vorige week uitbrak in en om Medan, de hoofdstad van de Indonesische provincie Noord-Sumatra, duurt onverminderd voort.

Eenheden van leger en politie treden niet op tegen de stakers, maar verhinderen hen op te trekken naar het centrum van Medan en de omliggende statelietsteden, nadat vrijdag vernielingen werden aangericht in winkels van ethnische Chinezen en een Chinese fabrikant werd omgebracht. In de industriegebieden rond de provinciehoofdstad zijn naar schatting tienduizend werknemers in staking en voltrekt zich het grootste arbeidsconflict dat Indonesië in tientallen jaren heeft gekend.

De stakingen hebben een demonstratief karakter. Tijdens werkuren drommen de stakers samen voor de poorten van de bedrijven, waar ze hun eisen kenbaar maken met gezongen leuzen, borden en spandoeken. Hier en daar gaan de acties met vernielingen gepaard. In ten minste één bedrijf werd het kantoor vernield en leeggehaald en in Pematang Siantar, een stad 125 kilometer ten zuiden van Medan werd gisteren het districtshoofd van het departement van arbeid zes uur lang door stakers gegijzeld.

In de binnenstad van Medan komt de bedrijvigheid na enkele dagen van bijna volledige verlamming weer op gang, maar de meeste kleinere winkels en werkplaatsen van Chinezen zijn gesloten. Een enkele winkelier laat klanten binnen door een kier in de neergelaten rolluiken en traliehekken. De luxe winkelcentra of 'plaza's', hoofdzakelijk eigendom van Chinese zakenlui, zijn goeddeels gesloten. Waar de bedrijfsleiders het aandurven om hun deuren te openen, worden deze kooppaleizen bewaakt door militairen. Door de ontsporingen van vorige week vrijdag is Medans grote Chinese minderheid de schrik om het hart geslagen.

In Tanjung Morawa, een industriegebied ten zuidoosten van Medan, omgeven door palmolie- en rubberplantages, staakten vandaag enkele duizenden werknemers van dertien bedrijven, waarvan de eigenaren bekend staan als slechte betalers. Stakingen van vergelijkbare omvang voltrekken zich ook op de uitgestrekte industrieterreinen langs de weg van Medan naar de havenstad Belawan. De stakers hebben hun eisen inmiddels wat teruggeschroefd. Werd er vorige week nog een verdubbeling van het regionale minimumloon geëist van drieëneenhalve gulden naar zeven gulden per dag, nu ligt de nadruk op betaling van het minimumloon en de bij wet voorgeschreven bonussen.

Mochtar Pakpahan, de landelijke voorzitter van het door de regering niet erkende Indonesische Verbond voor Arbeiderswelzijn (SBSI), verklaarde deze week dat zijn organisatie het initiatief heeft genomen tot de acties, maar niet verantwoordelijk is voor de anti-Chinese excessen daarna. Welingelichte kringen in Medan betwijfelen of de acties, die vaak een spontaan karakter hebben, op het conto mogen worden geschreven van één enkele organisatie.

In het hoofdkwartier van de Indonesische strijdkrachten (ABRI) wordt daar anders over gedacht. Tijdens een persconferentie gisteravond in Jakarta, verklaarde luitenant-generaal H.B.L. Mantiri, chef algemene zaken van de ABRI, dat hij “over aanwijzingen beschikt dat de SBSI het brein is achter de gewelddadige arbeidersacties”, die, aldus de generaal, “sterk doen denken aan de methoden van de PKI”, de in 1966 verboden en vervolgens bloedig geliquideerde communistische partij van Indonesië. Niettemin stellen de strijdkrachten in Medan en omgeving zich terughoudend op en beperken zij zich tot het afschermen van de acties op de industrieterreinen.