Afstand tot Mainhattan

BANKEN HEBBEN GEEN LAST van een economische crisis. Als zij geen winst maken met de kredietpolitiek, doen ze het in de valutahandel of met hun rentebeleid, waar zij vooral in de sector renteloze daggelden fameus zaken kunnen doen. Zo ongeveer hebben veel Duitsers gereageerd op de recordwinsten over 1993 die de grote Duitse banken, de Deutsche Bank en de Dresdner Bank voorop, eind maart konden melden.

De Deutsche Bank verdiende vorig jaar, voor belastingen, 5,2 miljard mark (100 miljoen per week) en haar balanstotaal is een kwart groter dan de begroting van de Duitse regering. Dat de Duitse banken soms minder 'klantvriendelijk' zijn dan zij zich voordoen blijkt uit de herhaalde kritiek van de Bundesbank dat zij renteverlagingen van de centrale bank best wat sneller aan hun klanten mogen doorgeven.

Daarbij zijn de handelsbanken in Duitsland zeer bedacht op het mijden van risico's en in dat opzicht vaak wat minder 'ondernemend' dan de financiële instituten in de Angelsaksische wereld. Mede daardoor hebben zij, ondanks hun enorme invloed in het 'grote' Duitse bedrijfsleven (als kredietverschaffers, mede-eigenaren en toezichthouders), onbedoeld zelfs bijgedragen aan de nu veelbeklaagde 'verkorsting' en 'industriële immobiliteit' van de Duitse economie. Deze stelling van de bestseller-auteur Günter Ogger (Nullen in krijtstreep) verliest haar betekenis niet nu Ogger deze week zelf wegens belastingfraude tot twee jaar voorwaardelijk en een boete van een ton is veroordeeld.

TEGEN DEZE ACHTERGROND is het niet verbazend dat het nieuws over de tamelijk argeloze omgang die de grote Duitse banken in de afgelopen jaren blijken te hebben gehad met de nu voortvluchtige onroerend-goedgigant Jürgen Schneider als een bom bij de bevolking is ingeslagen. Als Elsschots Laarmans, maar dan in het groot (en in het echt), heeft deze Schneider 's lands grote banken bij de neus gehad en dusdoende in twee jaar tijd zijn kredietvolume van ruim 2 tot zo'n 6,5 miljard mark weten te vergroten. De overal opvallende waardedaling van onroerend-goedprojecten als de zijne, die hij in onderpand kon geven voor fancy-taxaties die hij in eigen beheer liet maken, heeft de argwaan kennelijk evenmin kunnen opwekken als de periodieke 'Evidenzliste' waarop de Bundesbank kredieten boven 3 miljoen vermeldt en waarop de Schneider-bedrijven dus zeer veelvuldig voorkwamen.

Vooral in Oost-Duitsland, met name in Berlijn en Leipzig, dreigen de banken nu via Schneiders déconfiture in een wonderlijke rol te belanden. Namelijk die van de grimeurs van 'het lelijke gezicht van het kapitalisme'. Dat kanselier Helmut Kohl er snel bij was om de banken te wijzen op hun verantwoordelijkheid jegens al die bouwbedrijfjes en leveranciers (en hun werknemers) die als concurrerende schuldeisers van Schneider nu in moeilijkheden raken, sprak voor zichzelf. De kanselier, die de banken toch al een passieve rol verwijt bij het opbouwwerk in de vroegere DDR, is in dit 'superverkiezingsjaar' kennelijk niet van plan om de bankelites in Frankfurt (Mainhattan) te ontzien. Gisteren haalde hij nog eens uit door hun als kredietverschaffers zelfs “een dubbele standaard”, namelijk een veel strengere omgang met “kleine” klanten dan met grote, te verwijten.

IN EEN LAND ALS de Bondsrepubliek en van iemand als Kohl, die persoonlijk bevriend was met de in 1989 vermoorde Deutsche-Bankchef Alfred Herrhausen, zeggen zulke verwijten wel wat. Zij wijzen, afgezien van het miljardenincident dat de zaak-Schneider is, op een gegroeide afstand tussen 'de politiek' (ook de CDU/CSU en de FDP) en 'de banken' en hun topmensen die vlijtig aan hun recordwinsten werken maar voor hun geldinstituten geen grote nationale taken weggelegd zien.

Strikt genomen is op dat laatste weinig aan te merken, maar wie denkt aan de grote rol die bankiers en Adenauer-adviseurs als Abs en Pferdmenges ooit speelden bij de naoorlogse Westduitse opbouw kan de ergernis van Adenauers politieke kleinkind Kohl begrijpen. Dat de CDU-kanselier als electoraal expert van die ergernis in dit verkiezingsjaar zo duidelijk blijk geeft, zullen die banken wel onfijn vinden. Ook daaruit blijkt trouwens dat zijn zorgen de hunne niet zijn en dat de afstand tussen Bonn en Mainhattan is gegroeid.