Raad buigt zich vooralsnog niet over Reporter

DEN HAAG, 20 APRIL. De Raad voor de Journalistiek zal zich vooralsnog niet buigen over het KRO-programma Reporter van 8 april, waarin het commissariaat werd onthuld van CDA-lijsttrekker Brinkman bij een van belastingfraude verdacht bedrijf.

De raad zegt over onvoldoende informatie te beschikken om in deze zaak een “principieel vraagstuk” te kunnen formuleren.

Volgens voorzitter mr. P. Boukema moet zich een “principieel vraagstuk van zodanige importantie” over een journalistiek-ethische kwestie voordoen, wil de raad op eigen initiatief, zonder een duidelijke klacht, een publikatie in behandeling nemen. De raad beschikt sinds 1 januari vorig jaar over de mogelijkheid zelfstandig een uitspraak te doen over een journalistiek-ethische kwesties. Tot nog toe heeft de raad van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het initiatief het programma Reporter in behandeling te nemen was afkomstig van twee leden van de raad. Zij wilden met name een uitspraak over de 'samenwerking' tussen de redactie van Reporter en de FIOD, nadat KRO-voorzitter Braks zich in een televisieprogramma nieuwsgierig had getoond naar de mening van de raad hierover. Volgens voorzitter Boukema is over de samenwerking onvoldoende feitenmateriaal voorhanden. De raad wacht een onderzoek van Justitie en FIOD af en wil op basis na afloop daarvan nader beslissen. “Van belang is bijvoorbeeld te weten hoe de contacten tot stand kwamen, waar ze uit bestonden en in hoeverre de journalist zich een verlengstuk van Justitie heeft gemaakt”, aldus Boukema.

Een mogelijkheid alsnog het programma door de raad in behandeling te laten nemen is een duidelijke klacht van een betrokkene. De raad zou de partijen in dat geval horen. Er zijn bij de raad nog geen klachten over het programma binnengekomen. De voorzitter van de raad nodigde KRO-voorzitter Braks uit dat alsnog te doen. Dat journalisten contacten hebben met opsporingsdiensten stuit bij de raad op “geen enkel ethisch bezwaar”. “Het gaat om de afpraken die worden gemaakt”, aldus Boukema.

Een aantal leden van het stichtingsbestuur van de Raad voor de Journalistiek toonde zich teleurgesteld over het besluit het programma vooralsnog niet in behandeling te nemen. Volgens stichtingsvoorzitter A. Abram wil het bestuur dat de raad zich meer profileert. “Wij dachten in onze onschuld dat dit een mooie zaak was voor een dergelijke profilering”, zei Abram.