Malaise op de Britse markt was oorzaak ondergang Daf; Curatoren in eindrapport over fabrikant

AMSTERDAM, 20 APRIL. Vrachtwagenfabrikant DAF NV is vorig jaar februari niet ten onder gegaan aan wanbeleid van bestuurders, zoals omschreven in de Nederlandse wet. De belangrijkste oorzaak van het faillissement was de malaise op de Britse vrachtwagenmarkt, waardoor DAF vanaf 1990 in de verliezen terechtkwam.

Dat blijkt uit het eindrapport dat de curatoren van de vrachtwagenfabrikant, mr. A.A.M. Deterink en mr. F. Meeter, gisteren bij de rechtbank hebben gedeponeerd. Het rapport schetst een ontluisterend beeld van de manier waarop de truckfabrikant DAF NV en de DAF Finance, de financieringsmaatschappij, werden geleid. Na het faillissement is DAF opnieuw opgericht. De nieuwe onderneming staat onder leiding van C. Baan, die ook de scepter zwaaide over het 'oude' DAF.

De reactie van het management op de gewijzigde situatie in Groot-Brittannië was weliswaar niet adequaat, constateren de curatoren, maar niet zó slecht dat er sprake kan zijn van een “kennelijk onbehoorlijke” taakvervulling. Wel kan de leiding van het 'oude' DAF te grote ambities, omstreden financieringsmethoden, strategische blunders en veel te starre organisatievormen worden verweten.

De raad van bestuur van DAF en de commissarissen worden weliswaar niet aansprakelijk gesteld voor het faillissement van de vrachtwagenfabrikant, maar dat betekent nog niet dat bestuurders en toezichthouders juridisch definitief buiten schot zullen blijven. De curatoren houden in hun rapportage de mogelijkheid open dat de DAF-leiding alsnog aansprakelijk gesteld zal worden voor “specifieke transacties”, die nog aan een nader onderzoek onderworpen zullen worden en niet in het eindrapport zijn behandeld. Daartoe behoren onder andere de verkoop van deelnemingen. Mr. F. Meeter wilde in een mondelinge toelichting niet kwijt om welke transacties het hierbij gaat. Hij wilde slechts loslaten dat de bewuste transacties in het buitenland onderzocht worden en dat de eventuele aansprakelijkheid uit buitenlands onderzoek zal voortvloeien. “We zijn op de hoogte van die onderzoeken en vonden ze zo serieus dat we er niet aan voorbij wilden gaan.”

Ook in de financieringsmaatschappij DAF Finance schuilt in principe nog de mogelijkheid van vervolging van de bestuurders. Volgens de wet kan van onbehoorlijk bestuur pas sprake zijn als een onderneming failliet verklaard is. Zover is het in het geval van de financieringsmaatschappij nog niet: DAF Finance verkeert in surcéance van betaling. De kans dat de afwikkeling van DAF Finance nog zal leiden tot aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen acht Meeter echter niet erg groot.

De curatoren zijn er bij de beoordeling van het DAF-management vanuit gegaan dat ondernemers een zeer ruime marge moeten hebben voor het maken van foutieve inschattingen. “Het is achteraf altijd veel gemakkelijker om aan te geven waar de fouten zijn gemaakt dan op het moment zelf als vaak onder grote tijdsdruk beslissingen genomen moeten worden”, aldus Meeter. Van onbehoorlijk bestuur is pas sprake als “er echt gekke dingen zijn gebeurd. Als de bestuurders zelf beter zijn geworden van bepaalde besluiten. We hebben in dit onderzoek niets gevonden dat daaronder viel”.

DAF ging vorig jaar onderuit omdat het bedrijf niet tijdig en niet doortastend genoeg reageerde op het inzakken van de Britse markt. Zo werd wel een reorganisatie in gang gezet maar waren de bezuinigen op personeelskosten onvoldoende. Daarbij kwam een risicovolle financieringsmethode van de volledige dochter DAF Finance.

DAF Finance financierde de afnemers en de dealers van de vrachtwagens. Daarbij verstrekte de maatschappij langlopende leningen, terwijl zij daarvoor zelf kortlopend, direkt-opeisbaar, bankkrediet gebruikte. Dat was namelijk het goedkoopste. Bovendien verrichtte ze onvoldoende onderzoek naar de kredietwaardigheid van haar klanten.

De vrachtwagenfabrikant DAF moest steeds vaker steun verlenen aan de financieringsmaatschappij, die al vanaf 1990 verliesgevend was. De financiële kruisverbanden tussen DAF NV en DAF Finance veroorzaakten onrust onder de banken. De curatoren constateren dat zowel bestuur en commissarissen tijdiger hadden moeten ingrijpen en dat banken en accountants eerder alarm hadden moeten slaan. Begin 1992 kregen de banken zekerheden van DAF NV. Daarmee kwam DAF onder curatele van de banken: “De banken schreven de raad van bestuur het te voeren beleid en de te voeren strategie voor”, schrijven de curatoren.

Daarnaast, constateren de curatoren, werd slagvaardig beleid bij DAF bemoeilijkt door veel te lange rapportagelijnen en een strikt functionele verdeling van taken, waardoor verschillende afdelingen van het bedrijf en verschillende bestuurders langs elkaar heen werkten. Ook heeft DAF volgens hen veel te lang vastgehouden aan de wens zelfstandig te blijven.