Koekundigen

In de bronstijd wordt het rund in onze contreien almaar kleiner. De schouder zakt van 1.40 meter tot een centimeter of negentig. Over de eeuwen genomen is dit het raadsel van de onvoorstelbaar krimpende koe.

Misschien werd er vooral op vlees gefokt - misschien neemt bij een toenemende bevreesdheid de schofthoogte automatisch af. Je kunt ook denken dat boeren redeneerden dat ze met veel kleine koeien minder risico liepen dan met een paar grote.

Bij koekundigen leeft het idee dat het rund groter wordt onder de Romeinen. Volgens Willem Schnitger, ook UvA, is dit een misverstand. Om zijn mening te staven doet hij een greep in een kist met botten. In totaal zijn het 15.000 botten waaraan hij op het moment werkt. Ze zijn verzameld op een Romeins complex bij Bonn. Voor de vogelaars onder ons: restanten van zeker twee monniksgieren.

Log en looiig - monsters van voetbeenderen. Ze vertonen bovendien akelige vergroeiingen, waarschijnlijk als gevolg van overbelaste gewrichten, 'overhoef', beter bekend van overdreven trekpaarden in de vorige eeuw. Je mag aannemen dat deze runderen werden gebruikt voor zware transporten. Het grote rund rukte met de Romeinen op en taaide met de Romeinen af.

De inheemse koe blijft tot in de middeleeuwen dwerg. Dan, ongetwijfeld onder invloed van nieuwe inzichten, wordt zij aangezet om weer te groeien.

    • Koos van Zomeren