Gewandhausorchester uit Leipzig toont kracht en zwakte; Schumann mag vluchtig zijn

Concert: Leipzig Gewandhausorchester o.l.v. Kurt Masur. Programma: Robert Schumann, Tweede symfonie in C gr.t., op. 61; Anton Bruckner, Zevende symfonie in E gr.t. Gehoord: 19/4, Concertgebouw, Amsterdam.

Het gebeurt niet vaak dat een buitenlands orkest van het niveau van het Gewandhausorchester uit Leipzig op twee achtereenvolgende avonden is te beluisteren in dezelfde zaal. Zo'n bijzondere gebeurtenis geeft de kans de klank en het karakter van het orkest beter te leren kennen. Het concert dat het Gewandhausorchester gisteravond gaf in het Amsterdamse Concertgebouw en dat werd bijgewoond door de Koningin en Prins Claus, bood een nieuwe kijk op zowel de sterke als de zwakke kanten van het gezelschap uit Leipzig.

De kracht van het orkest kwam naar voren in de Tweede Symfonie van Schumann, de tekortkomingen openbaarden zich in de Zevende symfonie van Bruckner, die in 1884 in Leipzig in première ging onder de legendarische Arthur Nikisch. In de Schumann-symfonie bleek net als maandagavond hoezeer de kwaliteit van het orkest wordt bepaald door de smetteloos versmeltende strijkers, uitwaaierend over de volle breedte van het podium. Het niveau van de blazers is over het algemeen wat lager, wat de balans in het orkest soms nadelig beïnvloedde.

Schumanns tweede symfonie kenmerkt zich door een grillige lyriek vol abrupte overgangen en thematische vondsten. Het is muziek die geen rigide slag verdraagt, maar waarvan de ritmisch complexe lagen wel precies onder elkaar moeten passen. Kurt Masur wist het gevaar van een al te strakke regie te ontwijken. Hij plukte de vluchtige ideeën van Schumann als het ware uit de lucht, als 'rijpe vruchten' zoals hij zelf eens het klankideaal van het Gewandhausorchester omschreef.

De visie van Masur op Bruckners Zevende symfonie overtuigde uiteindelijk minder. Hier werkte het heldere, gepolijste geluid van de strijkers averechts omdat het laatromantische idioom nu eenmaal floreert bij een wat zwaarder aangezet timbre. De eerste twee delen klonken als een gelouterde Bruckner; een lichte Bruckner die het aardse gewoel is ontstegen en zijn muziek schreef als een terugblik vol mededogen, niet als de uiting van een geplaagde ziel. In het Scherzo en de Finale had Masur in de zachte passages meer greep op de klank dan in de luidere fragmenten, waar het orkest zich leek te forceren en het klankbeeld schraal werd. Masur slaagde er onvoldoende in een doorgaande beweging in de veelvormige structuur te suggereren. Ondanks de vele prachtige momenten maakte het geheel een kortademige indruk die zich niet goed verhield met de visionaire spanningsboog die Bruckner voor ogen moet hebben gestaan.

    • Peter Peters