Een briljant voorbeeld

Men herinnert zich het ultimatum van februari. Dat is gesteld omdat de macht die het zou moeten uitvoeren - niet de Verenigde Naties maar het Westen - bij voortgezette Servische volkenmoord zijn geloofwaardigheid verloren zag gaan. Dit betekende dat de machtige bemiddelaar zich tot partij had laten maken in een burgeroorlog tussen drie mini-staten, zich al bemiddelend in feite aan de kant van de verliezer had laten rangeren en nu met deze beschermeling het onderspit zou gaan delven. Een roemloos einde voor de overwinnaar in de Koude Oorlog, en ook een einde dat niet vlug zou worden vergeten. Vandaar de conclusie dat de geloofwaardigheid op het spel stond; vandaar het ultimatum.

Het had een bijna ongelofelijk succes. Er ging weer een tram in Sarajevo rijden, er werd weer gevoetbald. Duidelijker tekenen van de vrede bestaan er niet in deze tijd. Het had dus voor de hand gelegen dat op de resultaten van deze tot dan toe ongehoorde nieuwe politiek was voortgebouwd. Maar in plaats daarvan werd het initiatief binnen een maand weer aan de Bosnische Serviërs gelaten. Als ze al eerder hun ogen hebben uitgewreven zullen ze dat de afgelopen weken met des te meer redenen hebben gedaan. Op een paar speldeprikken in een andere richting dan Sarajevo volgde de verklaring van de hoogste westelijke militaire leiding dat rondom die stad uitzonderlijk gunstige omstandigheden voor gewapende interventie heersten (de helft was al in puin geschoten), en op deze uitnodiging tot hervatting van de veroveringsoorlog volgde de gebruikelijke ruzie in de hoogste politieke leiding. Op deze manier was het al praktisch onvermijdelijk geworden dat de Serviërs weer aan de slag zouden gaan. Vervolgens hebben ze hun beproefde methode op Gorazde toegepast: aan de onderhandelingstafel een staakt het vuren beloven en op het slagveld doorvechten. Daarmee hebben ze nu zoveel resultaat behaald dat een 'oplossing' volgens het voorbeeld van Sarajevo al niet meer mogelijk is. De aanvallers staan tussen de verdedigers.

Wat zou men nu doen als men Radovan Karadzic was? De geloofwaardigheid van het Westen is met het blote oog al niet meer te onderscheiden. Maar met zoveel winst in zo korte tijd, en met de irritatie van de Russen op de achtergrond, zal het hem misschien raadzaam lijken het succes niet te overspannen. Met gemarteld gezicht verschijnt hij aan de conferentietafel en verklaart dat de vrede op het nippertje is gered. Het lijkt hem verstandig als er na enig puinruimen weer wat zal worden worden gevoetbald in Gorazde, en als er rails liggen kan daar weer een tram over rijden. Het zware geschut wordt teruggetrokken. Men vermoedt wel dat het in de richting van een andere 'safe haven' rijdt - Srebrenica, Tuzla, Bihac - maar in opgetogenheid over de herwonnen geloofwaardigheid tilt het Westen daar niet al te zwaar aan. De Serviërs zijn een krijgshaftig volk en als ze niet met kanonnen kunnen slepen worden ze ontevreden.

Zo ontwikkelt de Joegoslavische successie-oorlog zich tot een lang toneelstuk waarin na de pauze telkens hetzelfde bedrijf wordt opgevoerd aan het slot waarvan de onophoudelijk over zijn geloofwaardigheid pratende reus in de engelenbak wordt gegooid. Aan het definitieve slot is het toneel tot de laatste vierkante meter gevuld met Serviërs.

Dit is het drama zoals het nu twee jaar door de Serviërs al handelend wordt geschreven. Met een Amerikaanse president als Clinton, een secretaris-generaal van de Verenigde Naties van wie men toelaat dat hij iedere dag verder wordt gesloopt, en de Europese Blauwhelmen als gijzelaars of zaakwaarnemers voor de agressor, kan er maar één afloop zijn. Er ontstaat een Servische staat, verarmd, verwoest, gehaat door de miljoenen ten koste waarvan hij tot stand is gekomen en met aan het hoofd een gangsterbende die door de 'internationale gemeenschap' wegens oorlogsmisdaden wordt gezocht. Zojuist is er weer elf miljoen dollar door de VN gereserveerd om de opsporing en verdere rechtspleging voor te bereiden.

Omdat er geen 'geloofwaardig' vooruitzicht is op een verandering van de westelijke politiek in Joegoslavië terwijl de oorlog verder gaat, moeten we ons afvragen wat de politiek zal zijn als de oorlog met de Servische overwinning is afgelopen. Wordt Servië een staat 'buiten de wet', een safe haven voor de hier zo gevreesde grote criminaliteit, basis en doorvoerland voor de handel in verdovende middelen? Hoe gaat het verder met de vervolging van de oorlogsmisdadiger / generaal en de oorlogsmisdadiger / president? Moeten we toch diplomatieke betrekkingen aanknopen met de bakermat van de ethnic cleansing, de reclassering ter hand nemen, economische hulp geven, een aantal kopieën van Schindler's List uitdelen in de hoop dat het publiek er datgene van opsteekt wat Spielbergs bedoeling is en in de kampcommandant niet een bewonderenswaardige voorloper ziet? Dat zijn, bij voortgezet westelijk beleid, stuk voor stuk realistische vragen.

De werkelijkheid van Joegoslavië is niet een bloedige Balkan-folklore. Daar is met fascistische methoden een fascistische staat opgericht die niet meer ongedaan valt te maken. Er wordt met fascistische wetten een fascistische orde op zaken gesteld. Het zou wel onrealistisch zijn te geloven dat, in het werkelijke Europa in wording - dat van het politiek verval en de gefatsoeneerde rassenhaat - zo'n Servië verder in quarantaine kan worden gehouden. Hoe groter het succes van Karadzic en zijn kameraden, hoe meer ze het voorbeeld zullen zijn voor het politieke en niet-politieke gangsterdom dat in onze naïeve en gemakzuchtige samenleving op zijn beurt zijn ogen bijna niet kan geloven, nu het zulke kansen ziet.