Zich kwetsbaar opstellen

Daar keek ik van op: Max Pam, die vrijdag op de Achterpagina van deze krant schrijft over “het ontiegelijke burgemeesterschap van Van Thijn”. Nu betekent ontiegelijk (volgens Van Dale) geweldig, reuze-; maar ik geloof dat Pam het hier in ongunstige zin gebruikte, want hij stelt Van Thijns burgemeesterschap tegenover het “nuchter pragmatisme” van Patijn (die overigens nog benoemd moet worden), dat “wel eens een verademing zou kunnen zijn.”

Waarom keek ik daarvan op? In de eerste plaats omdat ik dacht dat Van Thijn niet zo'n slechte burgemeester was geweest. Anders zou hij toch niet minister van binnenlandse zaken zijn geworden? Maar dat is misschien naïef gedacht. Bovendien kan ik er niet over oordelen, want ik woon niet in Amsterdam.

Maar er was nog iets wat mij verbaasde. Ik had altijd gedacht dat Pam en Van Thijn min of meer geestverwanten waren. Beiden echte Amsterdammers en beiden PvdA'ers (van Van Thijn is dit laatste zeker, en wat Pam betreft: nog niet lang geleden had hij het op de Achterpagina over zijn “oud proletarisch instinct”).

Pams oordeel over Van Thijn was dus niet alleen verrassend, maar ook onverdacht. Dat wil nog niet zeggen dat het juist was. Toen las ik de dag daarna in de Volkskrant een interview met Van Thijn, en dat deed voor mij de deur dicht (ik vond al dat hij in het Kamerdebat over de IRT-affaire als minister zwaar te kort was geschoten).

In dat interview kwam hij terug op de merkwaardige vertoning, toen hij de Kamer een ambtsbericht van oud-burgemeester Van Thijn aan minister Van Thijn presenteerde over wat de eerste goed en fout had gedaan als beheerder van het Amsterdamse politiekorps. Van Thijn gaf toen aan Van Thijn nog net een voldoende. In de Volkskrant zei hij hierover:

“Ik heb mij tegenover de Kamer kwetsbaar opgesteld en zo groot mogelijke openheid gegeven. Ik heb de indruk dat ik met de geestelijke acrobatie die daarvoor nodig was, mijzelf in mijn oude functie niet heb verloochend. Dat was voor mijn gemoedstoestand heel belangrijk. Ik heb door mijn kwetsbare opstelling meer naar mij toegehaald dan, normaal gesproken, nodig was geweest. Maar die prijs heb ik graag betaald voor een goed geweten.”

Wat een taal! En wat een irrelevant geklets! “Ik heb mij kwetsbaar opgesteld” - dat is een van de meest onpasselijk makende uitdrukkingen uit de jaren zestig, waaraan Van Thijn kennelijk nog niet is ontgroeid. De term “zich opstellen” is op zichzelf al een onnodige gewichtigdoenerij. Zeg gewoon: een standpunt innemen of zich gedragen.

Maar zich kwetsbaar opstellen getuigt van een weeïgheid en zijïgheid die je van een burgemeester van een grote stad niet verwacht. Nu, het politiekorps van Amsterdam zal zeker wel raad hebben geweten met zo'n softie - om van de georganiseerde misdaad niet te spreken. Wie stelt zich kwetsbaar op? Een hondje dat al bij voorbaat op zijn rug gaat liggen. Zou Ien Dales, met al haar Kerk-en-Wereldverleden, die uitdrukking ooit gebruikt hebben?

Als Van Thijn zegt dat hij zich tegenover de Kamer kwetsbaar heeft opgesteld, dan zegt hij daarmee dat hij niet een beroep op argumenten heeft gedaan, maar een beroep op de compassie van de Kamer. Maar daar heeft de Kamer niets mee te maken. De Kamer heeft erover te oordelen of een bewindsman, al dan niet met de beste bedoelingen behept, gefaald heeft of niet. Politiek is een hard vak.

Daarbij komt dat, wanneer Van Thijn spreekt over zijn “kwetsbare opstelling”, we niet moeten vergeten dat zij volstrekt zonder enig risico was. De zaak was van tevoren door CDA en PvdA dichtgenaaid: ze zouden elkaars ministers niet laten vallen. Het debat in de Kamer was dus een schijnvertoning, en Van Thijns 'opstelling' was helemaal niet kwetsbaar. Laten we hopen dat op 3 mei de kiezers beide partijen de gevolgen van deze verlakkerij zullen laten voelen.

Van Thijns “kwetsbare opstelling” doet denken aan de positie die minister van Justitie Van Agt in 1976 innam nadat hij in de zaak-Menten heftig was aangevallen door, vooral de Kamerleden Kosto (lid van de fractie waarvan Van Thijn toen voorzitter was) en Kappeyne van de Coppello. Van Agt wist zich toen de figuur van underdog aan te meten, die hem politiek geen windeieren heeft gelegd.

Zeker, Van Agts gedrag was in zekere zin nog kwalijker, omdat hij in de politiek gebruik maakte van een antipolitieke stemming die altijd, min of meer latent, onder de bevolking heerst. Hij speelde het spel dus met kaarten die niet tot een spel behoorden. Dat deed Van Thijn niet. Hij stelde zich alleen maar tegenover de Kamer kwetsbaar - schijnbaar kwetsbaar - op.

En dat heeft hij gedaan voor zijn “gemoedstoestand”. De prijs die hij betaald heeft voor zijn “kwetsbare opstelling”, had hij graag over “voor een goed geweten”. Maar zijn gemoedstoestand en zijn goede geweten zijn zaken waar de Kamer geen bal mee te maken heeft - ja, waar wij als burgers geen bal mee te maken hebben. Ons interesseert slechts of hij zijn zaken goed gedaan heeft. Die innerlijke roerselen zijn voor de galerij.

Maar wie wèl geïnteresseerd is in Van Thijns psyche, moet toch getroffen zijn door het feit dat de “grote bedenker van de polarisatiestrategie van de jaren zestig zich nu beroemt op zijn “kwetsbare opstelling”. Zeker, polarisatie en liefzijn-voor-elkaar waren beide kenmerkend voor die tijd, maar ze beide in één persoon terug te vinden is toch merkwaardig. Maar Van Thijn had al in de Kamer getoond dat hij heel goed tegelijkertijd twee personen kan zijn: in dit geval oud-burgemeester en minister.

Eén ding pleit voor Van Thijn. In het interview zei hij, sprekende over de Amsterdamse politie, dat zij “wel eens een uitstraling van zelfgenoegzaamheid” had. En nu komt het: “Dat is een hele gevaarlijke Amsterdamse eigenschap. (...) Ik lijd er zelf ook aan, zo af en toe.” Bravo! Deze hand in eigen, Amsterdamse boezem siert Van Thijn. Maar zo'n ruiterlijke erkenning is heel wat anders dan “zich kwetsbaar opstellen.”

    • J.L. Heldring