Politieke discussie moet gaan over de samenleving van de toekomst

Debatten tussen politici over de omvang van het financieringstekort of inkomensmatiging zijn vruchteloos. Zij leiden de aandacht af van waar het de mensen werkelijk om gaat. Is er voldoende en zinvol werk, kunnen we veilig wonen en werken, en blijft er nog natuur over voor onze kinderen? Econoom A. Heertje vindt dat het politieke debat zich vooral moet richten op de fundamentele zaken in ons bestaan.

Anders dan onze premier Ruud Lubbers meent, staat niet de Partij van de Arbeid maar onze samenleving op een kruispunt van wegen. Als individuen zijn wij allemaal tegelijk waardevol en waardeloos. De manier van samenleven bepaalt of wij verder afzakken naar verloedering op alle fronten of dat een perspectief wordt geboden op een waardevolle samenleving voor allen. En wie zegt allen, bedoelt niet alleen de nu levende Nederlanders, maar ook de volgende generaties in wereldwijd verband. Zakken wij met elkaar weg in de vernietigende maatschappelijke gevolgen van toenemende werkloosheid, aantasting van het milieu en opoffering van de natuur of weten wij het tij te keren door positief in te spelen op de kansen die door de autonome dynamiek wordt geboden? Over die fundamentele vraag hoort nu het grote politieke debat te gaan. Een dergelijk debat kan bijdragen tot de bewustwording bij de bevolking dat achter deze vraagstelling het werkelijke kruispunt van wegen schuilgaat.

Lubbers en Kok kunnen en mogen als twee nette heren van mening verschillen over de ernst van de huidige situatie en over de mogelijkheden door verstandig beleid een voor allen leefbare samenleving tot stand te brengen. Zij hebben de afgelopen jaren intensief samengewerkt en daarbij ingrijpende saneringen tot stand gebracht. Deze hebben vrijwel alle in het teken gestaan van kwantitatieve beperkingen op het terrein van sociale zekerheid, subsidies, inkomens en comsumptieve publieke uitgaven. Tegelijk is op grote schaal sprake van het blootleggen van allerlei misstanden in de samenleving en van inefficiënte produktiemethoden in grotere ondernemingen en bij de overheid. De combinatie van een aantrekkende economie en toenemende werkloosheid kan voor een deel aan deze blootleggingsslag worden toegeschreven.

In beginsel is nu door het kabinet Lubbers-Kok een basis gelegd voor een offensief beleid gericht op een fundamentele verbetering van de kwaliteit van het bestaan. Er zitten doorbraken in de lucht, meestal gedreven door de technische ontwikkeling, op het gebied van de organisatie van besluitvorming, het behoud van natuur en milieu, interne en externe veiligheid en het verbeteren van omvang en kwaliteit van de werkgelegenheid. Kortom, er is alle aanleiding optimistisch te zijn over de mogelijkheid nu te koersen op kwaliteit en van onze politici te verwachten dat zij daartoe bakens verzetten en leiding geven.

Tegen deze achtergrond is de aanval van Lubbers op Kok en de Partij van de Arbeid vruchtbaar noch veelbelovend. Immers, een debat over de gewenste omvang van het financieringstekort, de reductie van sociale uitkeringen, de inkomensmatiging en de tarieven van advocaten is vruchteloos omdat het ons terugwerpt op de pseudo-calculeerbare werkelijkheid van ons bestaan. Schijnbaar calculeerbaar want de cijfers zijn straks toch weer anders dan we dachten en miskennen het bestaan van de officieuze onderbouw in onze economie. Belangrijker is nog dat de aandacht wordt afgeleid van waar het voor de mensen nu en straks werkelijk om gaat. Is er voldoende, zinvol werk? Zijn onze produktiemethoden en produkten voldoende milieuvriendelijk? Kunnen we veilig wonen en werken? Blijft er nog natuur over voor onze kinderen en kleinkinderen? Bieden we op een breed front een perspectief voor de jongere generatie, om gemotiveerd kennis op te doen, onderwijs te volgen en diploma's te halen? Als een man van formaat, zoals Lubbers, niet langer veelbelovend optreedt, hoe kan dan worden verwacht dat de burgers de moed erin houden? Lubbers en Kok moeten een perspectief bieden voor de werklozen die aan de kant staan, de jongeren die met onvoldoende motivatie het onderwijs volgen, de ambtenaren die moeten leren met risico's om te gaan, de vrouwen die worden geblokkeerd hoogwaardige managementsposities te bereiken en de echte zwakken in de samenleving, die zich verlaten voelen. Over de inhoud van dat perspectief mogen ze best van mening verschillen en daar ligt dan ook de basis voor een waardig en zinvol debat, maar ze moeten het eens zijn over de noodzaak inzicht om te zetten in uitzicht. En wat dat betreft lijkt Kok de tijd beter te verstaan dan Lubbers.

Welke inzichten zijn er dan? In de eerste plaats het besef dat de combinatie van het voortschrijden van de techniek, de globalisering, de werking van de markt als ontdekkingsmechanisme voor kwalitatief betere produkten, produktiemethoden en het opsporen van private publieke behoeften en de opkomst van een generatie nieuwe ondernemers het uitzicht biedt op een enorme verbetering van de kwaliteit van het bestaan van mensen in hun werksfeer, op straat, in het onderwijs en in de vrije natuur. In de tweede plaats de ervaring dat door de monetaire en financiële autoriteiten een solide beleid kan worden gevoerd, waardoor inflatieverwachtingen worden beheerst en de rente voldoende laag kan blijven om alle potentie door kwalitatief aanvaardbare investeringen te doen benutten. Voorts staat onze samenleving op het punt korte metten te maken met ineffectieve regelgeving, uitwassen van monopolieposities in de private en publieke sector en met overleefde instituties, overlegstructuren en organisatievormen. Er komt een dynamiek opzetten, die niet alleen de arbeidsmarkt, maar ook de kapitaalmarkt en de goederenmarkten flexibeler maakt.

Voor het optimisme van Kok zijn dus gegronde redenen, maar het gaat niet vanzelf. Wie alles alleen maar aan de markt overlaat, zal merken dat uit een oogpunt van het milieu of de maatschappij nu juist de verkeerde technieken worden gekozen. Wie de criminaliteit de vrije hand laat door onderlinge twisten oogst verdere verloedering in plaats van veiligheid. Wie aan onderwijs en wetenschap geen kwaliteitstoets aanlegt, draagt op termijn bij tot nieuwe werkloosheid in plaats van bij te dragen tot het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid. De kansen die wij krijgen moeten op individueel en maatschappelijk niveau worden benut. Daartoe is naast technische ook sociale innovatie nodig. In die sfeer hoort het voorstel thuis van Nederland één open winkel te maken, waar vierentwintig uur per dag activiteiten mogelijk zijn in restaurants, winkels, postkantoren, bedrijven, banken en overheidsdiensten. Tot de sociale innovatie behoort ook de gedachte het ministerie van economische zaken niet langer te beperken tot een op de markt en ondernemingen gerichte instelling, maar de aandacht voor behoud van natuur en milieu integraal en systematisch mee te nemen bij het stimuleren van het bedrijfsleven.

Er is alle ruimte voor een stevige discussie tussen Lubbers en Kok op basis van hun gedeelde verantwoordelijkheid voor het in het recente verleden gevoerde beleid. Deze discussie moet gaan over de veranderingen in de wereld en de wijze waarop en de mate waarin wij die veranderingen willen beïnvloeden en sturen met het oog op de kwaliteit van ons bestaan. Misschien scheiden zich dan de wegen. Niet omdat de een links en de ander rechts is, maar omdat de een verder reikt dan de ander.

    • A. Heertje