Miljardenmisser

Echt belangrijk economisch nieuws blijft in de media vaak onderbelicht. Ligt het aan de kwaliteit van de betrokken journalisten? De vroegere secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken Rutten houdt dit voor waar. Anderhalve week geleden brak hij tijdens een discussiemiddag van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde de staf over wie in Nederland hun brood verdienen met berichtgeving over financiële en sociaal-economische onderwerpen. Soms lijkt Rutten gelijk te hebben. Ik beperk mij tot één miljardenmisser van de media.

De afgelopen twee jaar hebben het ministerie van Binnenlandse Zaken en de ambtenarenbonden een miljardenspel gespeeld, waarover de kranten nauwelijks adequaat hebben bericht. Sinds het begin van de jaren tachtig zijn de collectieve uitgaven als aandeel van het nationaal inkomen licht gedaald. Een belangrijk deel van de ombuigingen is gerealiseerd door uitgaven op de lange baan te schuiven. Onderhoud is uitgesteld, nieuwe investeringen zijn op een laag pitje gezet. Verder heeft de overheid vanaf 1982 eenzijdig besnoeid op de premies die voor de ambtenarenpensioenen worden afgedragen aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Een reeks van noodwetjes maakte forse premiereducties mogelijk. Zo werd in 1993 8,8 procent premie aan het ABP afgedragen, terwijl de benodigde premie bijna 20 procent beliep. Inmiddels becijferen actuarissen van het ABP dat 22 miljard gulden aan inhaalpremies nodig is.

Vermoedelijk op 1 januari 1996 wordt het pensioenfonds geprivatiseerd. Dan treedt een Stichting ABP in de plaats van de huidige organisatie. De nu nog wettelijk geregelde pensioenen van het overheidspersoneel worden omgezet in een privaatrechtelijke regeling. Dit heeft grote gevolgen voor de deelnemers. Tot nu toe bepaalde de ABP-wet dat pensioenen van het overheidspersoneel de salarissen volgen. In de toekomst blijft die koppeling (indexatie) alleen in stand voor zover de financiële positie van de Stichting ABP dit toelaat. Anderzijds kan de overheid de premie niet langer eenzijdig verlagen.

De Stichting ABP gaat vallen onder de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW). Artikel 13 van de PSW bepaalt dat de bezittingen van een pensioenfonds samen met de te verwachten inkomsten toereikend moeten zijn voor dekking van de verplichtingen. De Verzekeringskamer mag aan de bel trekken, wanneer de vermogenspositie te wensen overlaat. In dat geval moet de premie omhoog, of de aanspraken van de deelnemers worden beperkt. Op dit moment kan de overheid de positie van het ABP nog straffeloos met behulp van noodwetjes afbreken, zonder dat de wettelijke pensioenaanspraken van ambtenaren direct hoeven te worden aangepast. Zo konden budgettaire problemen tot op heden tamelijk geruisloos op de lange baan worden geschoven.

De rechtspositie van de overheidswerknemers wordt door de gemaakte afspraken fors aangetast. In ambtenarenkring leeft evenwel het cynische besef dat de nu nog van kracht zijnde wettelijke pensioengarantie in feite geen snip voor de neus waard is. De overheid heeft immers ook niet geschroomd eenzijdig het mes te zetten in de benodigde premie-afdracht, wanneer dit gewenst werd geacht met het oog op de sanering van de overheidsfinanciën. De volgende stap zou zijn geweest dat ook de aanspraken door wetswijziging op de helling gingen. Vanaf 1996 wordt minder beloofd, maar door het toezicht van de Verzekeringskamer krijgen pensioenaanspraken van ambtenaren wellicht een steviger basis.

Inmiddels is het wetsontwerp dat de privatisering van het ABP regelt bij de Kamer in behandeling. Pikant is, dat de Pensioen- en Spaarfondsenwet bepaalt dat een fonds hooguit tien procent van de toevertrouwde middelen bij de werkgever van de verzekerden mag beleggen. In strijd daarmee heeft het ABP thans ongeveer de helft van haar vermogen gestoken in staatsobligaties. Tenzij de wet op dit punt wordt aangepast, moet het ABP voor 1996 veertig procent van het totale vermogen van 180 miljard gulden herbeleggen in andere waarden dan staatsobligaties. Dat zou prijzen en koersen op Nederlandse vermogensmarkten niet onberoerd laten.

Overheid en ambtenarenbonden zijn ook overeengekomen dat sommige uitkeringen in de toekomst op een andere manier zullen worden gefinancierd. Tot nu toe financierde het ABP de regeling voor vervroegde uittreding en de bovenwettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid door kapitaaldekking: voor deze lasten is een spaarpot gevormd van ruim tien miljard gulden. Dit bedrag wordt nu opgesoupeerd, om te voorkomen dat de ABP-premie na de privatisering omhoog vliegt (er is immers een groot tekort ontstaan door tien jaar korten op de premie-afdracht). De pensioenpremie voor de ambtenaren hoeft hierdoor slechts stapsgewijs te worden opgetrokken.

Doordat de lasten van VUT en bovenwettelijke WAO-uitkeringen voortaan jaarlijks over de deelnemers worden omgeslagen, valt de toekomstige premie echter drie tot vijf procent hoger uit. Zo worden de pensioenlasten van het overheidspersoneel opnieuw voor een stuk naar de toekomst verschoven, net zoals dat de afgelopen tien jaar is gebeurd. Ambtenaren die over tien tot dertig jaar met pensioen gaan, mogen hun hart vasthouden. Niet alleen het nationale bodempensioen, de AOW, dreigt steeds verder achter te blijven bij de verdiende lonen, ook hun aanvullend pensioen staat op de tocht. Het gaat bij de nieuwe ABP-affaire om een miljoen ambtenaren en miljardenschuiven met premies en belegd vermogen. De media hebben er tot nu toe nauwelijks over bericht. Dat lijkt mij een miljardenmisser.