Metaal spaart VUT ondanks premiedruk

ZOETERMEER, 19 APRIL. Dat het gisteren bereikte akkoord over een nieuwe CAO in de metaal- en elektrotechnische industrie een bijdrage levert aan de alom noodzakelijk geachte verkleining van de 'wig' (het verschil tussen bruto loonkosten en netto loon), dàt kon werkgeversonderhandelaar J.L. van den Akker niet volhouden. Maar hij troostte zich na afloop van het vruchtbare overleg met de bonden met de gedachte dat het akkoord “wel bijdraagt tot het niet vergroten van de wig, althans op termijn”.

Maandenlang heeft de voorzitter van de metaalwerkgevers (FME) aan iedereen die het maar horen wilde verkondigd dat “ingrijpende aanpassingen” in de regeling voor vervroegd uittreden (VUT) nodig waren. De kosten liepen te hoog op. “Terugdringing is noodzakelijk. Een verdere stijging is absoluut ontoelaatbaar”, schreef hij begin vorige week nog aan de bonden.

Sinds gisteren weten we hoe we dit moeten verstaan. Want in de nieuwe CAO gaat de VUT-premie dit jaar omhoog van 6,4 naar 7,4 procent (van de loonsom), en voor de periode tot eind 1996 heeft de FME vrede met een verdere stijging tot 8 procent. In eendrachtige samenwerking met de bonden schoven de werkgevers de hete aardappel van de VUT door naar het volgende CAO-overleg, medio 1996. En voor de derde maal in successie (na 1991 en 1993) werd het 'kostenplafond' verhoogd. Meer dan 4,6 procentpunt mag de werkgeversbijdrage niet belopen.

De VUT vormde het voornaamste geschilpunt in het begin februari gestarte overleg over de nieuwe CAO voor de 170.000 werknemers in de metalektro. De afspraken die daarover nu zijn gemaakt weerspiegelen de tweeslachtigheid die zowel de FME als de bonden ten aanzien van de VUT aan de dag leggen. Ze beseffen inmiddels drommels goed dat ze met het huidige stelsel (gebaseerd op een omslagpremie) op dood spoor zitten, maar zij zijn vooralsnog niet bij machte een betaalbaar alternatief te ontwerpen dat ook perspectief biedt aan jongere werknemers.

De populariteit van de VUT onder werknemers is bekend. Wie de kans krijgt - in de metalektro bij 60 jaar of bij 40 dienstjaren - houdt ermee op. Het uitkeringsniveau (87,5 procent van het laatstverdiende loon) verhoogt de attractiviteit. Tijdens de landelijke actiedag van afgelopen vrijdag onderstreepten de werknemers, onder aanvoering van de Industriebond FNV, nog eens hun 'verslaafdheid' aan de VUT.

Maar ook de werkgevers zijn er niet vies van. Een beter afvloeiingsinstrument voor permanente reorganisaties hebben ze niet voor handen. Bovendien ontslaat het hen van de lastige opdracht echt werk te maken van het voornamelijk op papier beleden 'activerend ouderenbeleid' of 'leeftijdsbewust personeelsbeleid'. De FME wilde het niveau van de VUT-uitkering naar 80 procent verlagen, maar kreeg daarin de bonden niet mee.

Toch moet er wat gebeuren. Bij ongewijzigd beleid zou de VUT-premie in de metalektro tegen het einde van deze eeuw oplopen tot om en nabij de 10 procent. En ofschoon niemand weet waar de grens van de betaalbaarheid van de collectieve VUT precies ligt, gaan bonden èn werkgevers er vooralsnog van uit dat dit te veel is, zolang daar tenminste geen opeisbare VUT-rechten tegenover staan zoals met de huidige omslag-financiering het geval is.

Zo vonden FME en bonden elkaar nog betrekkelijk gemakkelijk in een nieuw rondje 'pappen en nathouden'. Door het schrappen van de 40 dienstjaren-regeling hopen beide partijen binnen de nu overeengekomen limiet van 8 procent te blijven. “De VUT blijft in de kern overeind”, meldde onderhandelaar N. Broers van de Industriebond FNV niet zonder tevredenheid. En zijn al even tevreden FME-tegenvoeter Van den Akker prees het nieuwe plafond de hemel in. “Dat biedt houvast voor kostenbeheersing.”

Een nieuwe studie moet voor de langere termijn uitkomst bieden. Niemand twijfelt eraan in welke richting die gaat: geleidelijke overgang van de huidige VUT, naar een flexibeler uittredingsregeling waarvoor werknemers ook zelf individuele rechten kunnen opbouwen (op basis van kapitaaldekking). Dat is allerminst nieuw, want daar wordt al vele jaren op gestudeerd en over gepraat. Maar FME noch bonden maken er haast mee. Het illustreert dat de tijd dat de CAO-metalektro trendsettend was in arbeidsvoorwaarden definitief voorbij zijn.

De omslag zou gemakkelijker gaan als ze een reservepotje hadden waaruit ze de kosten van 'overgangsregelingen' zouden kunnen bestrijden, zoals sommige bedrijven met VUT-problemen doen. Maar over dergelijke smeerolie beschikt de metalektro niet (meer). Integendeel, de verwachting is dat ook de pensioenpremie (nu 15 procent van het inkomen boven de franchise) de komende jaren nog enkele procentpunten omhoog moet om de verplichtingen verantwoord af te dekken. Over verkleining van de 'wig' gesproken.