Masur heeft karakter orkest nog versterkt

Concert: Leipzig Gewandhausorchester o.l.v. Kurt Masur met Bella Davidovitsj (piano). Programma: Mendelssohn, Ein Sommernachtstraum, op. 21; Schumann, Pianoconcert; Schubert: Symfonie in C gr.t., D 944. Gehoord: 18/4 Concertgebouw, Amsterdam. Volgend concert met ander programma: 19/4.

Het programma van het concert waarmee het dit jaar 251 jaar bestaande Leipzig Gewandhausorchester gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw zijn verlate Europese jubileumtoernee opende, was een verwijzing naar de rijke traditie van het orkest. De Sommernachtstraum, het Pianoconcert van Schumann en de Negende symfonie van Schubert hebben namelijk gemeen dat de première van deze composities ooit werd gegeven door het orkest van het Gewandhaus.

De unieke klankcultuur van het orkest uit Leipzig ontstond in de jaren dertig van de vorige eeuw onder Felix Mendelssohn-Bartholdy. Sinds die tijd is het Gewandhausorchester een gesloten gemeenschap waarvan de leden bij voorkeur afkomstig zijn van het conservatorium in Leipzig. Tot 1989 verkeerde het orkest door de cultuurpolitiek van de Oostduitse machthebbers ook nog eens in een internationaal isolement. Het Gewandhausorchester ontsnapte daardoor aan het nivellerende effect van de concurrentie tussen de westerse orkesten.

In de afgelopen kwart eeuw heeft Kurt Masur het eigen karakter van het orkest nog versterkt. De klankopbouw is tegelijk doorzichtig en zeer expressief; alle details zijn hoorbaar zonder dat de eenheid verloren gaat. De basis van het innige, fluwelen Gewandhaus-geluid wordt gevormd door strijkers, zoals was te horen in de snelle fluisterende passages van Mendelssohns Sommernachtstraum. Masur dirigeerde het stuk uit het hoofd en zonder stokje. Wars van uiterlijk vertoon, modelleerde hij met sierlijk welvende gebaren de frasen en de dynamiek, met de rust van iemand die weet dat de muziek zo moet klinken en niet anders.

Martha Argerich had haar optreden als soliste in het Pianoconcert van Schumann om 'persoonlijke redenen' geannuleerd. Bella Davidovitsj, die Argerich verving, koos opvallend langzame tempi. Ze speelde bedachtzaam en ingetogen, waardoor de muziek geheimen prijsgaf die in een meer extroverte uitvoering verborgen blijven. De keerzijde van deze behoedzame aanpak was, dat het onstuimige karakter van het laatste deel te weinig uit de verf kwam.

In de Negende symfonie van Schubert bleek opnieuw hoezeer Masur met zijn orkest is vergroeid. Maar zelden vindt een dirigent zo'n overtuigende balans tussen de 'himmlische Länge' zoals Schumann de grote vorm van de symfonie omschreef en de vele thema's, harmonische kleurcontrasten en tempowisselingen waaruit die vorm is opgebouwd. Ook nu dirigeerde Masur zonder partituur - soms nauwelijks zichtbaar wiegend of wuivend met zijn handen boven zijn hoofd, om dan weer plotseling de rug te rechten, als een toonbeeld van muzikale wil.