Kurt Masur met Gewandhausorchester in Amsterdam; Beroemd orkest uit Leipzig voor politici niet langer heilig

AMSTERDAM, 19 APRIL. Kurt Masur is chef-dirigent van twee beroemde orkesten: sinds 1970 van het eerbiedwaardige Gewandhausorchester uit Leipzig, waarmee hij nu ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan twee concerten geeft in Amsterdam, en sinds 1991 van het New York Philharmonic Orchestra. Maar als de 67-jarige Masur had gewild, had hij nu ook in Duitsland een door het volk uitverkoren kunstenaar-politicus kunnen zijn, zoals de schrijver Vaclav Havel nu president is van Tsjechië of de pianist en componist Paderewski, die in 1919 president van Polen werd.

Aan de vooravond van de 'Wende', toen Oost-Duitsland overschakelde van een streng communistisch regime naar het vrije kapitalisme, speelde Masur een belangrijke maatschappelijke rol door de concertzaal van het Gewandhaus te openen voor discussies - sinds decennia de eerste vorm van vrije meningsuiting in Oost-Duitsland. Maar in de dirigentenkamer van het Amsterdamse Concertgebouw zegt Masur nu blij te zijn dat hij niet van professie is veranderd. Mijn taal is die van de muziek, niet die van de politiek.''

Maar de politiek laat Masur en de muziek in Leipzig niet ongemoeid. Het voormalige Oost-Duitsland is armlastig en heeft van de communisten een enorme culturele sector geërfd, die in een tijd van recessie niet meer in volle omvang op de been te houden is. In Duitsland zijn er nu 180 orkesten, vertelt Masur.

Zo doet zich de paradoxale situatie voor dat op cultureel gebied de 'Wende' niet altijd een zegen is. De subsidiërende overheid wil van een gedeelte van de orkesten af en in Duitsland bestaat nauwelijks een sponsorcultuur, zoals in Amerika. Als voorbeeld noemt Masur het orkest in Jena, waarvan het voortbestaan op het spel staat. “Geen geweldig orkest, maar Jena is een stad van wetenschap, van Zeiss-technologie en van cultuur. Zo'n stad kan niet zonder orkest, het is een belangrijk deel van de plaatselijke identiteit, van het Heimatgefühl.”

Ook het wereldberoemde Gewandhausorchester is voor de Duitse politici niet langer heilig. Er is weinig ontzag meer voor dit orkest, dat in Leipzig teruggaat op het door Telemann in 1702 opgerichte Collegium Musicum dat ook door Bach in de Thomaskirche werd gebruikt en later werd geleid door grootheden als Felix Mendelssohn-Bartholdy, Reinecke, Mahler, Nikisch, Furtwängler en Walter.

Masur: “Politici willen er nu flink op bezuinigen en de socialisten spreken zelfs smalend over 'Hochkultur' - alsof het orkest niet altijd is gedragen door een brede burgerij. Er wordt kunstmatig een klasseverschil gecreëerd. Het Gewandhausorchester heeft veel politieke en sociale onrust overleefd, in deze eeuw alleen al de val van het Duitse Keizerrijk, de onrust van de Weimarrepublik, de nazi-tijd, de Tweede Wereldoorlog en het communisme. Dan kan het toch niet zo zijn dat het orkest uiteindelijk tegronde zou gaan aan het vrije kapitalisme?”

Het 195 leden tellende Gewandhausorchester geeft in verschillende samenstellingen symfonische en kamermuziek-concerten in het nieuwe, in 1981 geopende Gewandhaus - het oude werd in de oorlog gebombardeerd. Het orkest begeleidt ook de opera en is te horen in de Thomaskirche, waar Bach de cantor was en waarvoor hij zijn Passionen en cantates componeerde. Masur: “De overheid in Saksen en in Leipzig wil dat allemaal stroomlijnen, maar het is juist die in Leipzig historisch gegroeide combinatie van activiteiten die het bijzondere uitmaakt van dit orkest.”

Een extra probleem voor de stad Leipzig is het feit dat van de half miljoen inwoners die de stad had, er honderdduizend zijn vertrokken. Ook voor het Gewandhausorchester zijn de betere omstandigheden en het hogere salarisniveau in het voormalige westen een bedreiging. In Leipzig wordt slechts zestig procent verdiend van wat in het voormalige West-Duitsland gebruikelijk is. “Maar”, zo verklaart Masur niet zonder trots, “nog niet één orkestlid is uit Leipzig vertrokken. Er bestaat een zeer hechte band tussen de musici van het orkest die voor het grootste deel afkomstig zijn van het conservatorium in Leipzig.”.

    • Kasper Jansen