Kassian: stervende kromtaal

Indische Letteren, 'Indo-taal'. 9de jrg.nr.1, 64 blz.,ƒ17,50. Schuberthof 43, 2402 GJ Alphen a.d.Rijn

Adoeh, sirih, adat, pidjitten, sinjo, soesah - bekende woorden, maar hoe veel Petjo vinden we nu eigenlijk geschreven in de Indisch-Nederlandse literatuur? Beter gezegd: hoe weinig? Want welbeschouwd komt er vrijwel géén Indisch patois voor in de romans en verhalen van de Nederlandse groten van de Indische letteren; Multatuli, Daum, Dermoût, Walraven, of Vuyk. Zo concludeert Joop van den Berg in een kort overzichtsartikel voor Indische Letteren over Indische straattaal in het literaire proza. Typerend is dat Tjalie Robinson, dankbaar citeerder van Indisch-Nederlandse woorden - hij schreef hele stukken in platte spreektaal - in zijn journalistieke artikelen en columns wél Petjo gebruikte, maar zijn literaire werk, gepubliceerd onder het pseudoniem Vincent Mahieu, daar zelf klaarblijkelijk toch te hoogstaand voor vond.

Een enkel verdwaald woordje ter verhoging van de sfeer, verder is het echte Indisch-Nederlands nooit in de literatuur doorgedrongen stelt Van den Berg. “Freudiaans duidelijk: couleur locale.” Het gebruik van Indische krompraat als middel om de Indo (op komische wijze) neer te zetten beschouwt hij, anders dan nog in bijvoorbeeld Soebatten, sarongs en sinjo's, inmiddels niet meer zozeer als neerbuigend of discriminerend, maar als tot enige decennia geleden nu eenmaal aanvaardbaar.

Gastredacteur van dit nummer is Kees Groeneboer, auteur van Weg tot het Westen; Het Nederlands voor Indië van 1600-1950; Een taalpolitieke geschiedenis (KITLV 1993). Ook hij noemt in zijn inleiding de Indo-taal 'sfeertaal bij uitstek'. Onder 'je-lâh-je-kripoet' legt hij uit hoe en waarom men in het onderwijs het Maleis en het Indisch-Nederlands trachtte uit te roeien - vergeefs natuurlijk. Maar, in 1958 schreef Tjalie Robinson al, even pathetisch als onweerlegbaar: “Het petjo is een stervende taal van een stervende generatie.”

Reinier Salverda, hoogleraar Nederlands in Londen, turfde het gebruik van Nederlands (277x), Nederlands-Indisch in drie gradaties (63x) en het Maleis (31x) in de roman Goena Goena van Caesar Kijdsmeir uit 1930. Frits van den Bosch keek naar het stamboeltheater; en Rupalee Verma stelt de relatief schaarse Indiaas-Engelse literatuur tegenover de rijkdom aan (koloniale) Anglo-Indiase. Narayan, Desani, Shagal en Anand moeten het opnemen tegen onder anderen Forster, Kipling, en Paul Scott. Toch zijn er in India heel wat meer gekoloniseerden die schrijven in de taal van de vroegere kolonisator dan in Indonesië. Doordat de Britten in India óók een afzetmarkt zagen, en de Nederlanders in Indië uitsluitend een wingewest - waar dus niet de eigen cultuur naartoe hoefde te worden gebracht - kan nu uiteindelijk de postkoloniale Indonesisch-Nederlandse literatuur niet tippen aan de Indiaas-Engelse, legt Verma uit. Ze noemt Kartini, Noto Soeroto, Soetan Sjahrir, Soewarsih Djojopoespito en Ahmad Djajadiningrat - wie, buiten de Novib-uitgevers, kent hier deze schrijvers?