'Heeft u die gevoelens vaker gehad?'

Op een morgen werd Rudy Bondien wakker met het verlangen iemand te vermoorden. Het ging hem niet om een persoon in het bijzonder. Hij moest zomaar iemand vermoorden, dat was alles. Hij had er geen motief voor nodig, het verlangen was voldoende.

In zijn gemoedstoestand was die ochtend sprake van een soort eb en vloed. Toen hij uit bed stapte, kon hij maar aan één ding denken: moord. Hij stak na het ontbijt een keukenmes bij zich en fietste naar zijn werk. Tijdens de tocht trok de moordgedachte zich langzaam terug. Maar eenmaal op zijn werk doemde de obsessie weer in zijn brein op, en ditmaal met een verzengende kracht die zijn wil nog maar op één doel richtte: een willekeurig slachtoffer.

Bondien werkte als schoonmaker in een Utrechts universiteitsgebouw. Die morgen maakt hij bij zijn binnenkomst een kort praatje met Clara Verhulst, een collega die hij nauwelijks kent. Daarna gaat ieder naar zijn eigen plek om schoon te maken. Bondien heeft vervolgens nog contact met zijn baas van het uitzendbureau die hij moet in- en uitlaten. De man merkt niets bijzonders aan hem.

Als de baas weg is, wordt het Bondien te machtig. Terwijl hij een shagje rookt, overmeesteren zijn dwanggedachten hem, en hij weet nu opeens ook wie hij wil vermoorden. Het is Hans, de jonge portier. Hij heeft niets tegen Hans - waarom zou hij, ze zijn min of meer vreemden voor elkaar. Toch moet Hans dood, Bondien heeft geen andere keus.

Waar is Hans? Verdomme, hij kan hem niet vinden. Hij rent naar de eerste verdieping, maar ziet geen Hans. Dan staat daar Clara en Bondien beseft opeens weer dat het ook helemaal niets uitmaakt wie hij doodt - als hij maar doodt. Bondien wacht tot Clara zich voorover buigt in een kast. Dan slaat hij van achteren een arm om haar heen en plant het keukenmes in haar rug. Ze zakt gillend in elkaar terwijl Bondien wegvlucht.

De verwondingen van Clara blijken later mee te vallen, alleen het spierweefsel is beschadigd. 's Middags ziet Clara haar belager terug in de omgeving van het ziekenhuis waar ze behandeld is. Hij loopt doelloos door de stad. Clara slaat alarm en Bondien wordt gearresteerd.

“Klopt het?” vraagt mr. H. Hofhuis, de rechter van de meervoudige strafkamer van de Utrechtse rechtbank, als de officier de aanklacht - poging tot moord, subsidiair doodslag - heeft voorgelezen.

“Ja”, zegt Bondien toonloos, “alleen niet met voorbedachte rade.”

Hij is een 23-jarige man met stekeltjeshaar, gekleed in trui en spijkerbroek. Hij heeft grote, ietwat verbaasde ogen en zijn houding is ontspannen. Toen hij met zijn bewakers de hal voor de rechtszaal binnenstapte, had hij zijn advocaat opgeruimd begroet.

“Begrijpt u inmiddels hoe dit kon gebeuren?” vraagt de rechter.

“Ik heb er nog steeds geen reden voor.”

“En het was echt toeval dat zij slachtoffer werd?”

“Het had in principe iedereen kunnen gebeuren.”

“Heeft u dit soort gevoelens vaker gehad?”

“Ja.”

Een jaar of zes geleden heeft Bondien een medewerker van het JAC mishandeld. Na moeilijkheden met zijn ouders was hij naar het JAC gegaan dat zich een poosje over hem ontfermde. De mishandeling kwam Bondien op zes weken tuchtschool te staan.

Voor zijn onderzoekers is Bondien een raadsel gebleven. De psychologen en psychiaters, ook van het Pieter Baan Centrum, hebben hem binnenste buiten gekeerd, maar ze konden niet precies vaststellen wat er met hem aan de hand is. Ook voor hen bleef hij een dader zonder motief. Daarom hielden ze het maar bij nogal algemeen klinkende kwalificaties: een man met 'ernstige persoonlijkheidspathologie' waartoe ook 'schizoïde trekken' behoren. Interessante bijzonderheid: zijn intelligentie ligt hoger dan het gemiddelde.

“U heeft een gevoel van leegte”, citeert de rechter de rapporteurs, “u beschikt niet over de emoties die veel andere mensen hebben.”

“Ik weet dat ik zo ben”, zegt Bondien, “en ik heb er verder geen moeite mee.”

“Hoe ervaart u dan dat onvermogen om gevoelens te uiten en te delen?”

“Het is geen pretje, maar het went.”

“U heeft ook geen spijtgevoelens ten opzichte van het slachtoffer?”

“Ik vind het heel erg voor haar, maar ik ben normaal niet zo, en daarom heb ik geen spijt.”

“Denkt u dat het nog eens kan gebeuren?”

“Ik heb er geen verklaring voor waarom het nu gebeurd is, en ik weet dus ook niet of het nog eens zal gebeuren.”

Bondien heeft een mislukte carrière als middenstander achter de rug. Hij was nog maar net bezig, toen hij er op een dag vandoor ging met medeneming van al zijn geld. Hij was enkele dagen onvindbaar, vergokte het geld en meldde zich toen bij zijn ouders die hem tot de dag van de aanslag onderdak verschaften.

“Heeft u toen nooit met anderen over uw problemen gepraat?”

“Nee, ik heb het voor mezelf gehouden. Dat doe ik met meer dingen.”

De officier van justitie, mr. B. Steensma, spreekt van een “zeer ernstig, maar ook zeer bijzonder feit”. “Het bijzondere is dat er helemaal geen motief lijkt te zijn.” Hij acht voorbedachte rade aanwezig, omdat Bondien even gekeken had of er iemand naderde alvorens toe te steken. In zijn eis volgt hij echter het advies van het Pieter Baan Centrum: ontslag van rechtsvervolging en tbs met dwangverpleging.

Bondien begrijpt dit advies, meldt de advocaat, mr. A. van Ruyven. Hij had elk onderzoek kunnen weigeren, maar hij wist dat hem dan alleen gevangenisstraf wachtte zonder behandeling.

De rechter geeft Bondien het laatste woord. “Ik heb nog steeds geen verklaring”, klinkt het bijna mechanisch. “Ik hoop dat ik door de behandeling een antwoord vind, zodat er geen herhaling meer komt.”

Nadat hij is weggevoerd, lopen twee oudere mensen op de advocaat af: de ouders van Bondien. Ze laten zich uitleggen wat de eis precies inhoudt. De advocaat heeft Bondien de laatste jaren goed leren kennen. Hij mag hem graag, er valt veel met hem te lachen. Bovendien beschikt Bondien over zelfkennis: hij weet dat hij iedereen kan doden, ook zijn ouders.

(Het vonnis, twee weken later: conform de eis.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.