'Een geoorloofde werkmethode'

SAN FRANCISCO/AMSTERDAM. De eerste keer dat ik Earl Sanders ontmoette zag ik hèm niet, maar hij mij wel. Hij zat stil aan het stuur, elleboog uit het raam, groot en zwart, zijn hoed wat over de ogen, en hij keek alleen maar, en hij zag alles. Earl is hoofdinspecteur bij moordzaken in San Francisco - specialisatie drugs, hobby serial-killers - en lid van de drugsadviescommissie van de Staat Californië. Binnen zijn eigen politiekorps is hij een van de voorvechters van civil rights, sinds hij een collega knock-out sloeg die een doos kogels betitelde als een 'nice box of niggerstoppers'.

Earl leerde me het Betondorp en Slotervaart van San Francisco kennen, Hunterspoint en Sunnyvale, zonnige en glooiende straten, met binnenplaatsen waar meisjes de was ophangen. “Hier is op dit moment elke dag een schietpartij. Geen pistolen, maar stenguns. Jongens van zestien.” Hij somde de moorden op van de afgelopen maand: wraak en wederwraak van de diverse jeugdbendes.

Earl: “Ik weet nog precies hoe deze buurten er vijfentwintig jaar geleden bij lagen. Het waren arme buurten, maar de mensen redden het samen, en ze hielpen elkaar. Crack-cocaïne is een verbazingwekkende drug.” Hij liet me de graffiti zien die na zo'n moord gemaakt wordt door de vrienden of bendeleden van het slachtoffer, gespoten namen, op alle muren, als een soort kleine monumentjes: Little Mickey, Little Mickey, Joe Puff, weer Little Mickey. “Dankzij die graffiti weten we altijd heel snel wat er aan de hand is.” We reden langs het huis van Little Mickey, een klein geval met aan de voorkant de wrakke waranda waar hij was doorzeefd, en een tuintje en een oude man die met vermoeide bewegingen het gras maaide.

In Nederland maakte ik pas anderhalf jaar geleden iets mee wat daar een beetje op leek. Het betrof een middelbare school in de Haagse Schilderswijk. Het gebouw verkeerde in een permanente staat van bewaking, er waren hekken en strenge portiers, en daaromheen reden de dealers rondjes, iedere middag als de school uitging. Sinds vorige week weten we dat het overgrote deel van deze weedhandel van justitiewege is binnengesluisd. En als een integere Amsterdamse hoofdofficier van justitie zijn rug niet had rechtgehouden, dan zou daar vermoedelijk ook nog eens een flinke portie coke zijn bijgekomen. En dit alles om één infiltrant de kans te geven dichterbij de top van een van de drugssyndicaten te komen, en zo het kartel van binnenuit de vernietigen.

“Dit soort drugsimporten kan geen fatsoenlijk mens goedpraten”, riep Earl gisteren door de telefoon, want ik was benieuwd naar zijn mening. “Wat denken ze, wel, dat ze God zijn?” Hij vertelde dat binnen zijn drugsadviescommissie nog maar paar maanden geleden exact hetzelfde aan de hand was geweest. “Een paar jongens van de DEA waren zo druk bezig geweest om hun undercover-operaties te coveren dat ze de Amerikaanse markt zo ongeveer doorweekt hadden met drugs. Tonnen cocaïne hadden ze geïmporteerd. Wij waren razend.” In de ervaring van Earl Sanders is de verhouding tussen doel en middelen bij dit soort infiltratiemethoden compleet zoek. “Hoeveel bendeleden pak je ermee? Vijf, tien? Die worden toch direct vervangen? Alleen hier in de Verenigde Staten loopt de cocaïne-omzet in de miljarden dollars, en voor zoveel geld zijn er altijd mensen bereid om alles te doen. Hoeveel handelskanalen rol je met zo'n infiltratie op? Eén, twee? Die worden toch direct vervangen door een nieuw kartel? De druk van die geldmassa is veel te groot.” Bovendien is het buitengewoon onprofessioneel om je als politie-organisatie voornamelijk op één methode te concentreren. Je verliest alle creativiteit. Earl: “De enige manier om drugs aan te pakken is weinig spectaculair. Het ondermijnen van de markt via preventie en beheersing, dat is het enige wat we kunnen. Maar zelf importeren, wat voor boodschap stuur je dan als regering naar de kids op straat? Dat drugs toch niet zo erg zijn? Dat het wel okay is, allemaal?”

“Een geoorloofde werkmethode.” Ik moest denken aan die gewone Amsterdamse agenten en rechercheurs, die ik zo nu en dan voor de lokale TV-zender AT5 bezig zag, een coffeeshop, een inval in een schlemielige thuisplantage, vijftig gram hier, een pondje daar, en tomeloze opwinding als ze een keer vijftig kilo vinden. En nu: vijfentwintig duizend kilo weed van justitiewege geïmporteerd, en vergevorderde plannen voor honderden kilo's coke. Over het moreel van de gewone politieman gesproken.

“Een geoorloofde werkmethode.” Om een idee te krijgen van de zoekgeraakte proporties: de totale jaarconsumptie van weed in Nederland wordt door de drugshulpverlening geschat op de dertig á veertigduizend kilo, dus niet veel meer. En van het geld dat bij deze transactie is omgegaan - 250 miljoen gulden - kan een complete Nederlandse Gladio, CIA, DEA, of andersoortig ongeleid projectiel gefinancierd worden.

“Een geoorloofde werkmethode.” Het IRT-debat van de afgelopen weken was in de eerste plaats een public-relations oorlog, waarmee de Haagse politieke en bestuurlijke top Nederlands meest stinkende affaire sinds de Lockheed-zaak vooralsnog met succes onder de tegels wist te houden. De verleiding van de simpele aanpak en het spelen op de man was groot, juist omdat er in deze zaak zoveel ingewikkelde kwesties kriskras doorelkaar heen liepen: het gezagsvacuüm bij justitie, de machtsexpansie van de hoofdcommissarissen, de verkiezingen, het onderlinge pootje-lichten van de politiekorpsen en de latente haat van de rest van het land jegens het arrogante Ajax. De belangrijkste vraag steeg daar echter ver bovenuit, en dat was een vraag van moraal: in hoeverre is in Nederland het bestuur nog ondergeschikt aan de principes van de rechtsstaat?

Earl Sanders: “Wij hadden te maken met zo'n hoge DEA-man die het in zijn hoofd gezet had om persoonlijk een tweede Noriega in te rekenen. En vanwege de natte droom van die man zijn tonnen van dat gif bij ons op straat binnengekomen. Ik ben een lokale politieman die toevallig op diezelfde straat dag-in dag-uit bezig is met dit ellendige rotprobleem, die elke dag met zijn collega's zijn leven waagt, die door ramen springt, dealers overvalt, die alles hier heeft meegemaakt, schietpartijen, dood, destructie, we weten precies wat drugs aanrichten. Wat is zo'n man aan het doen? Als je een paar honderd kilo extra binnenlaat, weet je dan wel hoeveel extra crack-baby's daardoor geboren worden? Hoeveel verslaafden er daardoor bijkomen? Hoeveel meer misdaad op de straat? Flikker op, man. Je bent God niet!”

“Het oogmerk der maatschappelijke vereeniging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaving van verstand en zeden”, zo luidde artikel 1 van de mooiste grondwet die Nederland ooit heeft gekend, de Staatsregeling van 1798. De klokkeluiders die deze principes verdedigden worden, terwijl ik dit schrijf, opgeknoopt, gevierendeeld, of in een zak genaaid en vanuit de Haringpakkerstoren het IJ ingegooid. Wat achterblijft is een moreel debâcle.