Bezuinigingen en vredestaken slecht te verenigen

De machteloosheid die de VN-strijdkrachten bij Gorazde demonstreren is een gevolg van de geringe politieke wil van de lidstaten, zegt M. van den Doel. Door vergaande bezuinigingen bij de strijdkrachten van veel westerse landen zijn hun mogelijkheden aan vredestaken deel te nemen sterk afgenomen.

De circa 65.000 inwoners van Gorazde hebben sinds 6 mei vorig jaar, toen de stad door de Verenigde Naties tot 'veilig gebied' werd verklaard, tevergeefs moeten wachten op bescherming van VN-troepen. Toen vorige week door de Bosnische Serviërs een slotoffensief tegen de stad werd ingezet, moest de uitgehongerde bevolking genoegen nemen met de toezegging dat over een paar weken VN-soldaten uit de Oekraïne naar de enclave zouden worden gestuurd. Toen afgelopen zondag de Bosnische regering van Izetbegovíc om luchtsteun vroeg om de val van Gorazde te verhinderen, kreeg zij van de VN-afgezant Akashi een niet mis te verstaan antwoord: “Wij zijn hier niet gekomen om jullie oorlog te voeren.” Het gebrek aan troepen ter plaatse heeft de VN verhinderd om in een vroegtijdig stadium andere keuzes te kunnen maken. Wil men het (gedwongen) vertrek uit het gebied voorkomen, dan is verdere toepassing van geweld waarbij strategische doelstellingen van de Serviërs worden gedwarsboomd, uitgesloten. Dit betekent dat men - bij gebrek aan alternatieven - de rol van bemiddelaar en hulpverlener voortzet. Om een tweede drama, zoals zich nu in Gorazde voltrekt te voorkomen, moeten meer troepen ter beschikking van UNPROFOR worden gesteld. Alleen op deze wijze kunnen nieuwe, doorgaans fragiele bestanden van een 'beschermend laagje' worden voorzien.

De militaire VN-commandanten in Bosnië hebben de afgelopen maanden de VN om zo'n tienduizend militairen extra gevraagd. Vorige week werd door de Veiligheidsraad Resolutie 908 aangenomen die het mandaat van UNPROFOR met zes maanden verlengt en toestemming geeft om de troepensterkte met slechts 3500 man uit te breiden. Het is nog maar de vraag of dat aantal zal worden gehaald.

De voortdurende oproep door de secretaris-generaal van de VN aan de lidstaten om meer troepen ter beschikking te stellen om in allerlei brandhaarden op deze aardbol te kunnen optreden, heeft al lang zijn effect verloren. De inspanningen van Boutros-Ghali om tot een stand-by force, een VN-brandweer te komen, zijn tot nu toe op niets uitgelopen. De kloof tussen de politieke aspiraties van de verschillende veiligheidsorganisaties en de beschikbare militaire middelen wordt steeds groter. De situatie in Bosnië, waar het Nederlands bataljon van de luchtmobiele brigade overal tegelijk het werk moet opknappen, drukt ons met de neus op de harde feiten.

Los van de politieke onwil om militaire middelen ter beschikking te stellen zijn de mogelijkheden van veel landen zo langzamerhand ook uitgeput. Immers, uitzending van dienstplichtigen gebeurt op basis van vrijwilligheid. Westerse landen met strijdkrachten die hoofdzakelijk uit dienstplichtigen zijn samengesteld, blijken in de praktijk alleen maar bereid om aan minder risicovolle operaties deel te nemen. Bovendien beperkt ook het verleden - zoals de situatie in het conflict in het voormalige Joegoslavië weergeeft - landen om een bijdrage te leveren. Er wordt dan ook primair een beroep gedaan op landen met een minder beladen historie en op landen, zoals Groot-Brittannië en Canada, die over een beroepsleger beschikken. Europa wordt geconfronteerd met een toenemend aantal conflicten, waarbij de behoefte aan een diversiteit aan militaire middelen om deze conflicten tijdig in de kiem te smoren, eerder lijkt toe dan af te nemen.

Aan de inspanningen van de verschillende veiligheidsorganisaties om te bemiddelen ontbreekt het niet. VN, NAVO, WEU, CVSE en de Europese Unie doen hun uiterste best. Aan politieke concepten is dan ook geen gebrek. Waar het voornamelijk aan schort is de politieke wil om de daad bij het woord te voegen. Alle Westeuropese landen hebben de afgelopen jaren fors op hun defensie bezuinigd en hun strijdkrachten ingekrompen. Dit betrof in de eerste plaats de land- en luchtstrijdkrachten. Het Europese akkoord voor de beperking van conventionele bewapening (CSE-akkoord) bood hiertoe ook de gelegenheid. Echter veel landen, waaronder ook Nederland, zijn in hun bezuinigingen behoorlijk doorgeschoten en hebben veel meer gereduceerd dan volgens het verdrag noodzakelijk was. Zo mag Groot-Brittannië volgens het akkoord nog over ruim 1000 tanks beschikken, maar desondanks reduceren de Britten hun wapenbestand tot circa 550 tanks. Dat geldt ook voor Nederland. Van de ruim 900 tanks die ons land volgens het verdrag mag bezitten blijven er nog maar 330 over. Een onderschrijding van ruim 60 procent. Geavanceerde wapensystemen die destijds voor miljoenen guldens per stuk zijn aangeschaft, worden nu voor een appel en een ei verkocht. De dure Leopard 2-tanks worden door Duitsland voor slechts een half miljoen gulden per stuk gedumpt. Nederland biedt de verbeterde versie van de Leopard 1-tank voor slechts honderdduizend gulden aan.

Behalve de materiële reducties is ook fors in het personeel gesneden. Immers als er moet worden bezuinigd dan valt structureel hier het meest te verdienen. Door de voortschrijdende mechanisatie van westerse strijdkrachten was de personele omvang van eenheden in de afgelopen jaren al sterk teruggebracht. In de afgelopen decennia heeft zich, als gevolg van de technologische ontwikkelingen, een accentverschuiving voorgedaan van 'bewapende mannen' maar 'bemande wapenen'. De hardware wordt steeds belangrijker. Een gevolg hiervan was dat de noodzakelijke logistieke ondersteuning en overhead onevenredig toenamen. Het 'AirLand Battle' concept, een nieuwe doctrine die in het begin van de jaren tachtig werd ingevoerd, heeft deze tendens nog eens versterkt. In de Golfoorlog, een 'high tech war', werd het concept voor het eerst in de praktijk gebracht. Het spanningsveld tussen uit te voeren taken en de voor inzet beschikbare personele middelen was ook toen al aanwezig. De vraag is of de slogan 'kwaliteit voor kwantiteit', die ook in Nederland al sinds de Defensienota van 1974 opgeld doet, moet worden heroverwogen. Immers, de huidige ontwikkelingen zijn te vergelijken met een onderneming die een steeds grotere orderportefeuille krijgt en als reactie daarop de produktie-afdeling drastisch inkrimpt.

Tot 1990 hadden de NAVO-strijdkrachten zich geheel voorbereid op een grootschalig, conventioneel conflict, waarbij inzet van kernwapens - als laatste middel - niet uit de weg zou worden gegaan. Het was erop of eronder. Alle beschikbare middelen zouden worden ingezet. In de ontwikkelde scenario's ging men uit van een conflict dat ten hoogste een paar maanden zou duren. De technologische wapenwedloop tussen Oost en West had voor de NAVO-landen tot gevolg dat, wilde men in een conflict de overlevingskans vergroten, modernisering geen vrije keuze maar een absolute noodzaak was. Uiteraard blijft modernisering ook nu nog van belang, maar wat dat betreft verkeert het Westen in een gunstige positie. De vraag die zich nu echter aandient is of de beschikbare middelen de komende jaren toereikend zullen zijn om een geloofwaardig veiligheidsbeleid te kunnen voeren. Een aantal hoge Amerikaanse commandanten hebben zich onlangs voor de defensiecommissie van de Amerikaanse Senaat bezorgd uitgelaten over de mogelijkheid van Amerika om, zoals het regeringsbeleid aangeeft, in twee regionale conflicten tegelijkertijd te kunnen optreden. Die vraag was aan de orde in verband met eventuele Amerikaanse bijdrage aan een vredesmacht in Bosnië. Deelname aan een vredesoperatie in Bosnië met zo'n 25.000 man betekent, dat rekeninghoudend met de capaciteit om elke zes maanden de troepen te kunnen aflossen, minimaal zo'n 50.000 man permanent gecommitteerd zijn. In die situatie blijft onvoldoende capaciteit over om in andere regionale conflicten, bijvoorbeeld in het Midden-Oosten of in Azië op te kunnen treden. De VS willen dat natuurlijk voorkomen en daarom zal de regering meer dan voorheen moeten afwegen in welk scenario Amerikaanse troepen wel of niet kunnen worden ingezet.

Een ander gevaar van de beperkte capaciteit is dat eenheden eenzijdig worden getraind en zich alleen maar voorbereiden op VN-operaties en zich niet kunnen prepareren op het optreden in andersoortige conflicten. Deze ontwikkeling vormt een reële bedreiging voor de kwaliteit van de NAVO-strijdkrachten. Opgebouwde ervaring en deskundigheid vloeien hierdoor geleidelijk weg, hetgeen de kerntaak - de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied - aantast. In dit verband is het advies van een Canadese denktank over de richting van het Canadese defensiebeleid een teken aan de wand. De adviesraad stelt voor om de voorbereiding van de strijdkrachten op een groot conflict te laten voor wat het is en de taak van de krijgsmacht zich tot 'peace-keeping' operaties te laten beperken. Ook wordt geadviseerd om de bijdrage aan de NAVO verder te beperken. Als de Canadese regering de adviezen opvolgt kan men terecht spreken van renationalisatie van beleid. De adviesraad is wel consequent. De uitvoering van vredesoperaties is een personeelsintensieve taak. Daarom wordt voorgesteld om de krijgsmacht met 8000 man uit te breiden. De slogan 'kwaliteit voor kwantiteit' die bij krimpende budgetten als doekje voor het bloeden wordt gebruikt, verdient - ook buiten Canada - heroverweging. Dit is geen pleidooi voor minder moderne strijdkrachten, maar wèl een oproep tot herbezinning op de forse personeelsreducties die op gespannen voet staan met het uitgebreide takenpakket.

    • M. van den Doel