Zeven presidenten praten in Tsjechisch kasteel over Europa

PRAAG, 18 APRIL. In de magnifieke omgeving van een inderhaast opgeschilderd renaissance-kasteel in Moravië had eind vorige week een opmerkelijke topontmoeting plaats. Op uitnodiging van de Tsjechische president, Václav Havel, troffen elkaar in de plaats Litomysl niet minder dan zeven presidenten van Middeneuropese landen voor een gedachtenwisseling over samenwerking in de regio en over de toekomstige integratie in Europa.

Het was een informele ontmoeting, er zouden geen officiële verklaringen worden afgelegd, laat staan een slotdocument worden ondertekend. Het betrof een typisch Middeneuropese, half-politieke, half-culturele bijeenkomst op hoog niveau, gemodelleerd naar het vorig jaar in Salzburg in de marge van de Festspiele georganiseerde gesprek tussen vier presidenten, de Oostenrijker Klestil, de Duitser Weizsäcker, de Hongaar Göncz en Havel.

Ditmaal in Litomysl, de geboorteplaats van de Tsjechische componist Smetana, waren echter ook de Poolse president Walesa, de Slowaakse president Kovác en de Sloveense president Kucan van de partij, die tegelijkertijd bedoeld was als afscheid voor de Duitse president. Hoogtepunt was het door de Franse politicoloog van Tsjechische afkomst Jacques Rupnik geleide en door de televisie uitgezonden debat waarin de presidenten hun ideeën de vrije loop konden laten.

President Havel wees er op dat de nieuwe post-communistische samenlevingen zich de waarden waarop de democratie is gebaseerd weer eigen moeten maken. Zijn Duitse collega haakte in op Havels uitspraak dat “we niet alleen aan onszelf moeten denken, maar ook verantwoordelijkheid dragen voor het algemeen belang” door zijn constatering “dat de wereld veel te hedonistisch is en vergeet wat vrijheid is”.

Een groot deel van de discussie werd gebruikt voor het ventileren van bezorgdheid over de verhouding met Rusland. “Bepaalde tonen in de Russische buitenlandse politiek moeten scherp worden veroordeeld”, zei president Havel, daarmee doelend op recente neigingen van Moskou zich te doen gelden in zijn oude invloedssfeer. De Poolse president maakte in dat verband de vergelijking “dat wij allemaal in een bepaalde richting rijden op een weg, maar dat de vrachtwagen merk Rusland in de tegengestelde richting dendert, zonder zich aan de verkeersregels te houden”.

De Russische buitenlandse politiek is vooralsnog “onduidelijk”, meende ook de Duitse Bondspresident, “ze wordt beheerst door emoties”. Er mag, zo zei Weizsäcker, geen nieuw blok ontstaan: “We willen met Rusland samenwerken, maar ons niet door hem laten dicteren.”

De enige van de gesprekspartners die de grote geopolitieke lijn van het debat herhaaldelijk losliet om zijn bezorgdheid over bilaterale problemen kracht bij te zetten, was eigenlijk de Oostenrijkse president Klestil, die te pas en te onpas de kwestie van de grensoverschrijdende gevaren van kerncentrales aanroerde: de Oostenrijkers zijn falikant tegen de bouw van een dergelijke centrale in het Tsjechische Temelín, vlak bij de grens met Oostenrijk. Dat begon de Poolse president kennelijk te vervelen: “Het stikt in Europa van de kerncentrales”, zo merkte hij korzelig op, “of we dat nu willen of niet.”

Havel ten slotte mocht het debat sluiten met een dankwoord aan Weizsäcker, een president die, hoewel hij niet veel bevoegdheden heeft, wél veel invloed heeft en wiens woord in Europa “van groot gewicht” is.